REISVERSLAG FIETSKAMP BANGLADESH  22 december 2006 - 4 januari 2007 

Bekaert Lionel, Roeselare lionel.bekaert@skynet.be
De Bie Riet, Roeselare rietdebie@yucom.be
Descheemaeker Luc, Torhout luc.descheemaeker@skynet.be
Deseyne Geert, Rumbeke geertdeseyne@yahoo.com
Deseyne Sien, Roeselare sien.deseyne@telenet.be
Huyghe Marijke, Roeselare marijkehuyghe@skynet.be
Lagae Marc, Roeselare marclagae@skynet.be
Logie Koen, Dadizele koenlogie@yahoo.com
Portier Ilse, Roeselare bart.deheegher@burgerschool.be
Tournicourt Arlette, Roeselare arlette.tournicourt@skynet.be
Verbanck Lieven, Roeselare lievenverbanck@yucom.be
Vergote Tine, Roeselare tinevergote@yahoo.com

uit het dagboek van Riet en Lieven                                      FOTOALBUM: http://picasaweb.google.com/luc.descheemaeker

dag 1 Vrijdag 22 december ’06  “Dat ik besta is eeen eeuwigdurende verbazing die het leven is..”  (Rabindranath Tagore)  

Half vier ’s morgens….Zes mannen en zes vrouwen verzamelen zich bij ons in Rumbeke om “op trot” te gaan naar Bangladesh: Lionel, Marc, Lieven, Luc, Geert, Koen en Arlette, Marijke, Riet, Sien, Ilse, Tine. Drie koppels en zes “losse”, en - behalve Arlette-  allemaal leerkrachten. Het was Lionel die bij de Damiaanactie in Brussel voorstelde om ook eens leerkrachten kennis te laten maken met de Damiaanprojecten. Hij stuurde uitnodigingen naar de Roeselaarse scholen en gaf samen met Luc, die al 8 keer in Bangladesh was, twee info-momenten. Hun enthousiasme werkte alvast voor mij aanstekelijk en zo stonden we klaar om het grote avontuur in te duiken!

Dat avontuur begon al meteen, want door de dikke mist op Heathrow, waren er op deze 22 december geen vluchten van Zaventem naar Londen. In drie auto’s en met een klein hartje reden we toch, op aanraden van Luc, om ons op het afgesproken moment aan te melden aan de balie van British Airways. Volgens het normale schema zouden we vanavond al om 21.30u in Dhaka landen… maar dat zou anders lopen!  

5 uur… Weinig leven bij British Airways. Terwijl Lionel en Luc aanschuiven aan de balie, zien wij het nog steeds positief in…  

6 uur… De rij achter Lionel en Luc wordt alsmaar langer. Een BA-medewerkster, met de prachtige naam “Niemandsverdriet”, probeert ons blij te maken met een doenbaar vluchtschema naar Dhaka. Tine heeft vannacht niet geslapen en het trimestereinde eist zijn tol. We installeren ons op de inpakkartons voor de twee fietsen die we meenemen en wachten af. We krijgen allerlei scenario’s doorgebrieft. Met twaalf mensen een alternatieve route vinden is moeilijk en we moeten misschien wel in 2 of 3 groepen gaan reizen. Radio één- journaliste Veerle Devos heeft ons in de vertrekhal opgemerkt. We vallen wel op met de grote Damiaanstickers op onze bagage. Ze interviewt Lionel. Zo hoort heel Vlaanderen in het 7-uurjournaal hoe het gaat met de gestrande reizigers op Zaventem en met de groep die voor de Damiaanactie naar Bangladesh vertrekt..
Als we dan uiteindelijk van Luc een duim in de lucht krijgen dat we weg kunnen, geven we een luid applaus voor 'Marianne' van British Airways. Sien krijgt via haar gsm van haar man Fred te horen, hoe we straks zullen vliegen. Onze communicatiemaatschappij ten voeten uit! We kunnen dus rond 16u vertrekken en zullen via Birmingham en Dubai op kerstavond in Dhaka aankomen. We leveren onze bagage in bij de balie van SN-Brussels Airways, gaan iets drinken, doen nog 2 uurtjes een tukje in of vlakbij de gebedsruimtes op Zaventem en eten een hapje…Het is lang wachten, maar in groep en met de vliegtuigen zo vlakbij lukt dat best.  

17 uur... We zijn opgestegen naar Birmingham en na een uurtje zetten we voet op Engelse bodem.  Vijf uur later en met een toestel van de Emiraten, stijgen we op richting Dubai, 5500 km via het Kanaal, Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije, Roemenië, Turkije, Syrië, Saoedie-Arabië.

 

dag 2  Zaterdag 23 december ’06    ( Dubai, een stad met “grootheidswaanzin”…)  

5 uur... Hier in Dubai is het 8 uur als we landen. Vanuit de lucht lijkt Dubai een heel grote stad met een kilometerslange kustlijn vol torenhoge gebouwen. We worden opgehaald door iemand van het hotelletje waar we één nacht zullen logeren. Iemand van de Damiaanactie in Brussel heeft dat netjes geregeld en een bordje met “Mister Bekaert” wijst ons de weg. Hier bruist een stad op een plaats waar amper 20 jaar geleden nog woestijn was.

We rusten even uit op de kamer en om 14u maken we samen een wandeling. De lucht is helder blauw en het is 25 graden. We wandelen tot aan het water waar heel wat oude houten boten aangemeerd liggen. Er is veel activiteit van laden en lossen van goederen en alles lijkt nogal wanordelijk. Hier lijkt het leven even stil te staan en dat in tegenstelling met de nieuwe buildings rondom. Platte houten boottaxi’s vervoeren mensen naar de overkant van het water. Kilometers verderop ligt het chique dure centrum van Dubai. Daar staat het hoogste hotel ter wereld met een tennisveld op de top…en bouwt met het hoogste gebouw van de wereld, zo’n slordige 800m hoog… 'Grootheidswaanzin' noem ik dat. En dat staat dan in schril contrast met de armoede en miserie van heel wat arbeiders uit landen als India, de Filippijnen, Bangladesh die hier dagelijks veel uren moeten kloppen voor een hongerloon. Vrouwen ook die hier als dienstmeisje een onmenselijk leven moeten lijden. Het stond zelfs in de krant die dag: een meisje dat probeerde te ontsnappen uit een flatje via aaneengeknoopte lakens, was zwaargewond geraakt toen ze naar beneden viel… We zien ze ook bezig de magere mannen in gele werkpakken..Ze weven een stalen geraamte voor de buildings die overal opgetrokken worden. Ondertussen wordt voor de kust land opgespoten in de vorm van palmbladeren, waarop grote villa’s neergepoot worden…Dat allemaal daar Dubai-sjeiks die niet meer weten wat te doen met hun oliedollars…

Door kleine straatjes en langs kleine winkeltjes wandelen we terug naar het hotel. Daar hebben we op de achtste verdieping een zicht op Dubai bij valavond. We eten beneden in het hotel. Luc, Lionel en Lieven gaan nog even op wandel maar ze zijn niet zolang weg want we zijn allemaal content dat we op tijd het bed in kunnen.

dag 3  Zondag 24 december ’06     (Van Dubai naar Dhaka…eindelijk in Bangladesh!)

8 uur  in Dubai. We ontbijten samen in het hotelletje bij schreeuwerige westerse muziek en videobeelden op een scherm voor ons. Zijn we hier in het Oosten of in het Westen? En heeft Dubai wel een eigen identiteit of is het alleen maar een schreeuwerige namaakstad? Sommigen hebben slecht geslapen door lawaai buiten en op de gang. Anderen hadden daar weinig last van en hebben met veel deugd haast de klok rond geslapen. We zijn klaar voor Bangladesh!

11 uur... Met het busje rijden we naar Dubai-luchthaven langs brede lanen.  Op de luchthaven moeten we weer heel wat controles doorworstelen. We worden zelfs in 3 groepen ingedeeld. Langs een enorme hal met winkels waar je zowat alles kan kopen, (kwestie van straks in Dhaka toch maar goed met de tegenstelling geconfronteerd te worden…) komen we uiteindelijk bij de vertrekhal. Hier zitten we plots tussen de Bengalen. Vooral mannen, maar ook wat vrouwen met kinderen met allemaal van dat prachtige pekzwarte haar. 

14 uur... Een boeing 777 van de Emiraten brengt ons via Zuid-Pakistan en Noord-India naar Dhaka. Op een schermpje in de zetel voor je, kan je de vlucht mooi volgen en je hebt er ook een keuze uit een hele hoop films. Materiaal genoeg dus om je  gedurende de 3u en een half durende vlucht niet te vervelen. Wij kijken naar de film van Al Gore: “The inconvenient truth”. We krijgen een goed beeld van de oorzaak en de gevolgen van de opwarming van onze aardbol en zien o.a. ook dat Bangladesh, door de stijging van de zeespiegel, één van de eerste  slachtoffers dreigt te worden! 

17.30 uur... We landen in Dhaka. Het is hier nu 19.30u, Bengaalse tijd. Zia international airport is sober maar wel proper. Hier zijn wij als blanken nu duidelijk in de minderheid. Soldaten met blauwe potten op het hoofd en een oud Engels geweer over de schouder, patrouilleren in het luchthavengebouw.  

21 uur... Het heeft een uur geduurd en dan hadden we al onze bagage. Ook de fietsen zijn mee en dat heeft een of andere ambtenaar ook gezien. Hij mompelt iets van taks betalen en zegt dat hij eens gaat informeren…Uiteindelijk handelt hij de zaak af met wat stempels en moeten we toch geen taks betalen…(of heeft er hem iemand wat ballonnen en balpennen gegeven?) Zo staan we plots buiten en worden we verwelkomd door Willem Gees! Hij feliciteert ons al meteen wegens het record gebroken: zo lang heeft nog geen enkele groep erover gedaan om hier te raken! De 3 jeeps passeren het hek en even later maken we kennis met de verkeerschaos in Dhaka! Alles en iedereen rijdt hier kriskras door mekaar…in het beste geval mét verlichting. De onderbroken middenstrepen dienen om jezelf op te lanceren om voorbij te steken en dat gebeurt bij voorkeur luid toeterend. Plots remmen en je dan lanceren op het andere rijvak, in tegengestelde richting natuurlijk, dat kan ook… Voor ons is een kleine vrachtwagen volgeladen met in kooien opeengepakte kippen. Ze steken als ze al kunnen hun kop door de kooien maar worden dan meteen bedwelmd door  benzinegeuren... We raken dan toch uit dit kluwen een zijstraat in en worden afgezet voor een hotel in een blijkbaar rustigere buurt van Dhaka.

22.30 uur... We worden met een drankje verwelkomd. Even opfrissen op de kamer en dan samen te voet naar het huis van Willem even verderop. Willem heeft een gezellige living en we krijgen ook een lekkere warme maaltijd voorgeschoteld… want ja, het is kerstavond…dat waren we even vergeten… We verrassen hem met wat Belgische lekkernijen. Willem haalt de kaart boven van Bangladesh en toont ons de reisroute voor de volgende 10 dagen: noordwaarts tot aan de Indische grens.

Het wordt een gezellige avond en het is al over middernacht, Bengaalse tijd, als we onze bedden opzoeken. Morgen moeten we vroeg op pad…en dat op Kerstmis.

 

Dag 4  Maandag 25 december ’06   ( fietsinrijtoer: 60km ten N. van Dhaka)

 Een bezoek aan dit overweldigende land, is niet enkel een reis-ervaring…het is ook een levens-ervaring.”

Het werd een korte nacht… Van op straat drongen er heel de nacht allerlei geluiden door : blaffende vechtende honden, ruziënde mensen, geklop…? En dan om 5 uur plots luid geruis en het luide gebed van de ‘muezzin’ over de “slapende” stad…”Allah ahba…” Opvallend mooie toonaarden vind ik terwijl ik noodgedwongen luister…maar wel te vroeg op de morgen. Is het Kerstmis vandaag ? Slapen lukt nu ook niet meer. Dus douchen en de valiezen maken om om 7uur zo fris als ’t kan beneden te staan. Ik probeer een mailtje te verzenden naar het thuisfront om iedereen een gezellige kerst te wensen en hen op de hoogte te brengen van onze aankomst.

We drinken nog iets in het hotel en met onze fietstassen in de hand stappen we naar Willems woonst. Tijd om een fiets uit te kiezen. Wie neemt er “Lobke”  “Inge”, “Johanna” of “Loek”? … de namen van de ”jongeren” die de eerste keer op deze fietsen de fietstocht maakten. Geert ontpopt zich al direct als een fietstechnieker eerste klas. Nog wat banden blazen en dan vertrekken we voor 500km Bangladesh! Willem moet nog iets regelen in het hotel als Koen merkt dat hij zijn fietstas achterliet. Met Willem rijdt hij terug en merkt…dat hij alleen maar de verkeerde fiets genomen had...  En dan zijn we écht weg!

8.15 uur... Eerst rijden we door brede, nog rustige straten met de eerste riksja’s en de eerste verbaasde Bengalen. We dwarsen een hele brede weg vol chaos om dan plots de kleine volle winkelstraatjes in te rijden. Meteen de confrontatie met het overbevolkte land, de stoffige straatjes, vlees dat uitgestald hangt, voetgangers, fietsers, riksja’s, karren…. En wij die ons in een lange sliert daar doorheen worstelen. Zo zouden we mekaar kunnen uit het zicht verliezen. En dat is voorzien, want Willem die eerst rijdt, staat via een walkie-talkie in verbinding met “rode lantaarn” Luc.

De mensen zijn verbaasd en enthousiast als ze ons opmerken. Ze roepen naar ons al het Engels dat ze kennen: “Are you??” en “Hello!!” en “Good morning!!”… Het is plots zo’n andere wereld, dat ik me afvraag waar ik nu ben en ik welke tijd een of andere teletijdmachine me gedropt heeft. De wriemelende straatjes kronkelen eindeloos door en we zien na een tijdje hier en daar al wat velden op de achtergrond verschijnen. We stoppen even bij een marktje en Tine begint meteen foto’s te trekken. Ze heeft onmiddellijk een zwerm kinderen rond haar die haar en de foto’s nieuwsgierig bekijken. Ook een oude man vindt het grandioos als hij zichzelf (en zijn gebit) op het schermpje ziet. Het wordt te druk en we rijden door. Dhaka ligt meer en meer achter ons en het wordt wat rustiger, minder mensen...

9 uur... We komen aan een rivieroever en laden onze fietsen op twee aangemeerde houten boten. We zetten ons “bovendeks” en genieten van de plotse rust. Het water is hier en daar overwoekerd door waterhyacinten en het ruikt vervuild en ziet er ook zo uit. Ook de boten die we voorbijvaren zijn allemaal beschilderd met vogel-en bloemmotieven, met Bengaalse landschappen. Langs de oevers graven mannen klei uit en vervoeren het in manden op hun hoofd naar een boot die het naar een steenbakkerij zal vervoeren. In de verte zien we de schoorstenen roken.

We meren aan, hijsen onze fietsen uit de boot en op de oever en komen meteen in een smal en druk straatje terecht. We parkeren onze fietsen en worden alweer omzwermd door Bengalen. Een meisje van een jaar of acht klampt zich heel de tijd aan me vast en vraagt geld. Ze geeft niet op. Willem waarschuwde ons echter om in zo’n massa volk niets uit te halen of te geven… Het is lastig hieraan te weerstaan.

10 uur... We zetten ons even in een klein “eethuisje” voor het ontbijt. Een jongen van een jaar of elf, is van dienst en Willem vraagt hem wat broodjes en roerei en wat drank. Buiten worden de deegpannenkoekjes gebakken en op een stuk krant op een bord worden ze ons voorgeschoteld. Arlette en Willem gaan op zoek naar bananen. Boven ons hoofd zwaait vervaarlijk een ventilator. Hij hangt eigenlijk wat laag voor de langsten  onder ons…  

Nu rijden we op het platteland en dat is heel anders. We fietsen door heel wat kleine dorpjes. Luc blijft af en toe achter om foto’s te trekken. Als hij op een bepaald moment goed doorfietst om ons weer bij te halen, ziet hij te laat een serieuze bult op de weg. .Hij vliegt over zijn stuur en kwetst zich vooral aan zijn rechterarm.  We stoppen aan een klein “pleintje” langs de weg, en als de jeeps ons eindelijk gevonden  hebben, eten we “smoskes” uit een kartonnen doos. We hebben weer heel wat bekijks rondom en we delen de gekookte eitjes uit aan de kinderen.  

Dan gaat de tocht terug. Al snel zien we de skyline van Dhaka in de verte.  Het lijkt mistig in de verte, maar waarschijnlijk is het de smog over de stad. We krijgen nog “een strand” voorgeschoteld, een woestijnachtige strook waar we met veel moeite onszelf en de fietsen doorheen duwen. Overal ook wordt er land opgespoten, opgehoogd ook met de hand. Daar zullen straks nog meer flatgebouwen verrijzen. De verstedelijking neemt ook hier heel sterk toe en ook Dhaka blijkt zeer snel uit te breiden.  We moeten nog over een smalle drukke weg en zien hoe ze hier asfaltwegen aanleggen. Mensen roeren in de kokende brij en met fietskarren wordt de hete asfalt vervoerd naar even verderop waar men een smalle strook bijlegt. Oef, we slaan een zijpad in maar komen dan aan een bamboebruggetje. Moeten we daar dus over? Met een fiets op de schouder is dat haast onmogelijk.  Lionel verliest er zijn evenwicht even bij en kan nog net een modderbad ontwijken door op de oever te springen. Dankzij Geert en behulpzame Bengalen, geraken de fietsen dan toch aan de overkant. Luc nam ondertussen al pijnstillers want zijn arm begint meer en meer pijn te doen en fietsen op deze hobbelige wegen doet hem zeker geen deugd.

Bij de ondergaande zon rijden we de Dhaka-heksenketel binnen. Iedereen belt en toetert er op los en af en toe zie je politie: ze staan erbij en kijken er naar! We zijn dus heel tevreden als we zonder nog meer ongelukken tot bij Willem geraken.  

17.30 uur... aan het huis van Willem wacht Lolita ons op met haar baby. Lolita is een meisje uit de slums van Dhaka. Willem helpt haar als het nodig is. Af en toe komt ze langs. Maar Willem wil nu eerst met Luc naar het ziekenhuis. Lieven wil mee. Ze rijden naar een nieuw ziekenhuis, gebouwd door India en voor heel wat Bengalen onbetaalbaar.Wij installeren ons met een drankje in de zetels... De bagage wordt nog opgehaald in het hotel en de fietsen opgeladen want we moeten vanavond nog 70 km noordwaarts naar Rajandrapur. De conversatie met Lolita lukt niet echt. Ze lijkt ook nog heel jong (13 ?). Haar baby met een lang jurkje aan, blijkt dan toch een jongen te zijn. Ze wil blijven wachten tot Willem terug is. We wachten ongeduldig op nieuws en hopen dat het met de arm van Luc toch nog meevalt.  

19.30 uur... Willem belt Lionel op en zegt dat we al met 2 jeeps én de vrachtwagen met de fietsen, moeten doorrijden. We rijden over de zogenaamde “dodenweg” en we ontdekken al snel dat die weg zijn naam eer aan doet! Links en rechts rijden riksja’s, fietsers en wandelen mensen met of zonder kar of koe, terwijl langs hen heen vrachtwagens, bussen en auto’s razen ! Velen hebben geen of nauwelijks verlichting. Onze chauffeur toont ook zijn rijkunst en vanaf de middellijn vliegt hij regelmatig auto’s en bussen voorbij, luid toeterend. ’t Lijkt een computerspel, maar ‘k vrees dat we hier toch maar één leven hebben en ‘k prevel af en toe een schietgebedje of knijp mijn ogen toe…  

21 uur... Een  grote zucht van verlichting want we zijn er zonder kleerscheuren geraakt. We worden hier wel erg mooi geïnstalleerd. Het blijkt een soort trainingscentrum te zijn van de organisatie BRAC. We verfrissen ons even en gaan dan eerst iets eten.  

23 uur... Willem, Luc en Lieven zijn ook aangekomen…met minder goed nieuws ... Het blijkt een barstje te zijn in de elleboog en dus is het voor Luc gedaan met fietsen. Hij weet niet wat nu te doen. Maar we zijn eigenlijk allemaal heel moe. Morgen is het ook weer een nieuwe dag in Bangladesh en tijd brengt raad!   

dag 5  Dinsdag 26 december ’06     Rajandrapur- Mymensingh   72 km  

We moesten er weer vroeg uit en Luc had duidelijk genoten van zijn nachtrust. Hij kon met zijn arm weer boven zijn hoofd, een oefening die hij van de dokter moest doen. Natuurlijk kon hij in die toestand niet meer fietsen. Hij zou vandaag beslissen of hij al of niet vervroegd naar huis zou gaan. Er was weer een warm buffet met warme groenten, vlees en pannenkoeken. Er is oploskoffie en dat zal wel zo blijven tot we terug in Dhaka zijn. De fietsen worden grondig nagezien en alle tandwielen en kettingen krijgen de olie waar ze recht op hebben. Geert blijkt een handige hersteller maar dat wist ik al.

Om halfnegen rijden we richting noord. Geert rijdt achteraan en heeft nu walkietalkie. We zijn nog niet goed weg of hij vloekt dat zijn snelbinder in zijn wiel vastgedraaid zit. Gelukkig verstaan de vrome moslims die toekijken de draagkracht noch de betekenis van deze typisch Vlaams aanroeping van hogere machten niet. Dit had de start kunnen betekenen van de War of Civilizations !

We rijden naar omhoog. Eigenlijk stijgen we maar een goede 40 meter. Maar in dit land dat zo plat is als een chapati is dit al een hele beklimming. Aan de stootkarren vol korte boomstammen zien we dat dit een natuurreservaat moet zijn. Corruptie is niet alleen nefast voor mensen, het is ook dodelijk voor de natuur. Hier zijn bijna geen rijstvelden want dit is hier moeilijk te bevloeien. De strooien daken die we zo pittoresk vinden , worden vlot vervangen door golfplaten. Wie geld heeft vervangt ook de muren door dito materiaal. Het is onderhoudsvriendelijk en volledig waterdicht. Ongedierte vindt er geen schuilplaats maar in de zomer moet het er bloedheet zijn. Voor de toeristen moeten ze het niet laten want die zijn er niet.

Langs de weg zien we bomen met papaja’s en palmen met kokosnoten en betelnoten. Als de Bengalen die kauwen krijgen ze van die griezelig rode tanden. Hun lach druk hier de grondprijzen! Om weer wat toonbaar te zijn, wrijven ze hun tanden in met een pasta van bicarbonaat. Het blijft behelpen. Bij een suikerrietveld zijn ze aan het oogsten en de groep gaat kijken. Ilse maakt van deze schijnbeweging gebruik om het suikerrietveld in te duiken om de toekomstige oogst te voorzien van extra bruine suiker. We denken even niet aan soortgelijke démarches van inboorlingen als we de halfgeraffineerde suiker proeven. De stengels gaan door een pers die aangedreven wordt door een luidruchtige Chinese motor. Het sap komt via een vieze goot in een dito blik terecht. Alles gaat in een grote pan die op een vuurtje staat te sudderen. Het ingedikte sap wordt als een schepbare brij weggeschraapt en verder gedroogd. Het opgelucht gezicht van de net opgedoken Ilse wijst op een geslaagde missie.  

Een viskwekerij rijden we ook niet voorbij. Een leraar heeft dit als bijberoep en ook hier laat hij zijn gezag gelden. Hij geeft ook wat graag uitleg. Na een ingewikkelde uitleg in zijn beste ‘pidgin English’ begrijpen we dat het eigenlijk poepsimpel is. Bij ons is het net zo. Alleen laten ze bij ons geen vreemden toe uit vrees voor besmetting. Dit is hier geen probleem. Even verder worden we door een vriendelijke man uitgenodigd om zijn tuin te bewonderen. We hadden al zijn mooie visvijver gezien met verzorgde trap. Hij wil van het geheel een picknickplaats maken voor dagjesmensen. Van overal komen kinderen naar ons kijken. Voor Sien is dat de gelegenheid om haar sponsors te plezieren met enkele mooie plaatjes. Een groep Bengalen staat in een wip te pronken met petjes een shirts van Picanol. Bij  het middageten in een groezelig baanrestaurantje worden we weer omstuwd door Engels-onkundige Bengalen. Een riksja stopt met een heer die het nodig vindt om zich als katholiek voor te stellen. Pas later begrijpen we de draagwijdte van zijn verzuchting.  

Luc was hier eerder dan wij en heeft in een achterbuurt een hindoegemeenschap van pottenbakkers gevonden. Ze leven afgezonderd van de anderen en doen het onreine werk voor de anderen. Met grote zwier krijgen we een demonstratie van een vliegwiel waarop een jonge man met grote behendigheid een grote pot draait. Op het pleintje staat een kleine hindoetempel en de dames zoeken een ander tempeltje op. Er worden stoelen aangesleept. Armoede maakt gastvrij. Luc sist dat wij bij het zien van een groep rondneuzende buitenlanders al de politie zouden verwittigd hebben. Een pak balpennen lichter ( hebben ze wel papier ? ) nemen we de fiets en nemen prompt de verkeerde weg. Willem zwaait ons op het rechte (nu ja ) pad en trakteert weer met prachtige landschappen. Speciaal voor ons staan twee boeren hun prachtig zwarte waterbuffel te boenen. Willem knikt goedkeurend en de ene boer knipoogt terug. Nu weet ik waarom hij voortdurend zijn GSM gebruikt.  

Zijn truckendoos is nog lang niet leeg wat even verder moeten we over een bamboebrugje. Twee jongetjes schudden een spitse schuit uit het water en helpen ons bij het oversteken. Lionel wil nog eens indruk maken op Arlette (?) en probeert de oversteek met het bootje. Hij valt bijna in het water en redt zijn eer via de wankele brug. De fiets van Riet raakt wel per boot over. Het regent dan balpennen en ballonnen voor de kijklustigen.  

De volgende episode is minder leuk, een beeld om nooit meer te vergeten. Een kar vol dekens, geduwd en getrokken door triestige mensen, blijkt een hand te bevatten met onzichtbaar onder de dekens een vrouw die net verlost is van een dood kind van acht maanden. Ze heeft het net gehaald en wordt nu terug naar huis gebracht. Hier sterven nog heel wat vrouwen door zwangerschap en geboorte.  

De avond valt hier heel snel en plots moeten we met onze zaklantaarn rijden. Willem zoekt een vrachtwagen om ons de laatste twintig kilometer op de dodenweg naar Mymensing te besparen. Zo staan we aan de rand van een brede weg te wachten op Willem en zijn truck. Een onwaarschijnlijk grote menigte Bengalen komt ons bekijken. Door onze gebrekkige talenkennis blijven ze gewoon staren. Het licht viel plots uit ! Niet ongewoon in dit land. De druk rond het trosje Belgische fietsen wordt steeds groter. Een fiets met versnellingen en licht! Onze hoofdlampen zijn hier ook een nieuwigheid. Plots is de verlossende truck daar en in een mum van tijd staan alle fietsen er op. Willem geeft nog enkele duidelijke aanwijzingen en springt zelf in de vrachtwagen zodat de chauffeur zich niet in de weg zou ‘vergissen’.

Het wordt een dolle rit door de nacht! Onze chauffeur is misschien nog bij het verzet geweest want het Britse bevel om links te houden wordt af en toe straal genegeerd. De riksja’s zijn meestal niet verlicht en omdat de driver een bruine snoet heeft zie je hen maar op het laatste ogenblik opduiken . Overal zijn er putten en bulten die niet worden aangegeven. Verkeerstekens ontbreken want ze worden toch genegeerd. Een twintigtal zware overtredingen later worden we nog vergast (nomen est omen) met/op een dodenrit door Mymensing.

Het guesthouse ligt aan de rand van de stad. Vlug naar de kamers en dan huren we een riksja om ons naar een Chinees restaurant te brengen. We moeten ons geen zorgen te maken want die drivers kennen de stad op hun duimpje. Toch vraag ik nog even de weg en volg met mijn kompas. Riet verwijt me mijn geringschattend gedrag tegenover een inboorling als ik hem wil laten stoppen omdat hij mijns inziens verkeerd aan het fietsen is. Een dolle rit later stoppen we bij een gloednieuw hotel. Terstond is mijn gebrek aan vertrouwen gecompenseerd door een overschot aan gelijk. De drivers maken ruzie en uiteindelijk komen we toch aan bij onze Chinees. De anderen staan al lachend op ons te wachten. Ook verkeerd gereden?

We zijn alleen in het restaurant want Bengalen gaan pas veel later eten. De rijsttafel is al besteld en we kunnen onmiddellijk beginnen. Luc ziet er al veel beter uit en heeft besloten te blijven. Omdat hij niet fietst heeft hij nu extra tijd om te fotograferen. Zijn boek Banglakids II komt eraan. Aan de andere kant van de tafel (net iets te ver voor mij) is Willem zijn verhaal aan het doen. Hij was ingenieur maar in zijn jonge jaren was hij bij Oikonde beland en hadden jongeren hem van de criminaliteit gered door met hem naar Compostela te trekken. Daarna hebben langdurig werklozen hem boten leren bouwen in De Loods en in Landegem heeft An hem van zijn hersenverlamming afgeholpen. En toen heeft de DF hem van zijn lepra genezen in Bangladesh. Misschien heb ik niet alles goed gehoord maar de airco stond  naast mij te janken.

We rijden terug en ik geef een extra fooi aan mijn driver omdat hij de riksja met Riet heeft kunnen bijhouden. Hij is heel gelukkig en ik ook want ik mag er niet aan denken dat Riet hier verkeerd rijdt. Na dit Chinees avontuur moet ik dringend naar de WC. Bijna te laat. Ik maak me zorgen voor morgen.         

 

Dag 6  Woensdag 27 december ’06  Mymensingh - Netrakona    60 km  

8 uur…  We vertrekken vanmorgen zonder ontbijt. De fietsen zijn weer nagekeken en gesmeerd en hebben tot nu toe bewezen net als wijzelf, dat ze tegen een stootje kunnen. Het is nog fris en we zitten al direct in de chaos van “de ochtendspits”. Er hangt een dikke mist als we de brug over de Brahmaputra overrijden. De zon doet verwoede pogingen om er doorheen te geraken en wij ook. Net over de enorme brug draaien we naar rechts: een smal zandpad naast de rivier. Iedereen valt stil. Het is een vreemd gevoel hier te rijden: de wazige zon die haar stralen door de palmbladeren schijnt. Kinderen die ons langs de weg bibberend en soms verschrikt aankijken, met de tandenborstel of ook een porseleinen tasje in de hand. Krotten tussen de weg en de rivier ineengeknutseld. Maar Willem geeft ons niet veel tijd om te kijken en hij heeft al direct een serieus tempo in de benen.

Voor ons verschijnt een spoorwegberm waar we onze fietsen opduwen en -trekken. We horen in de verte een toeterende trein naderen en wachten tot hij voorbijtjokt. We passeren een madrasa - een koranschooltje - en horen de kinderen de tekst opdreunen. Door het kleine raampje zie je ze daarbij ritmisch heen en weer bewegen. We mogen het niet bezoeken. Willem zegt dat deze schooltjes slecht onderwijs geven. Hun afgestudeerden slagen hoogstzelden voor een staatsexamen.

We moeten nog een kleine rivierarm over klauteren en dan komt de Brahmaputra in zicht. De overkant zien we nauwelijks door de mist. Enkele kleurrijke bootjes dobberen op het rustige water, ook de Titanic schijnen ze hier goed te kennen. Haveloze kinderen op kouwelijke blote voeten volgen ons al een tijdje en we delen ballonnen uit. We moeten haast tussen de rijstplantjes rijden alvorens we een hoge dijk op kunnen, weg van de rivier. Ondertussen is het al 9 uur voorbij en Willem gaat op zoek naar chapati’s in de dorpjes die we voorbijrijden. Overal zorgen we voor “entertainment”, zelfs al op dit vroege uur. Hilariteit ook bij de kinderen als Sien plots wegglijdt in het mulle zand. Ze vinden dat blijkbaar grandioos en lachen zich een breuk. Als het brood gevonden is, worden de bankjes buitengezet op de stoffige weg en verdringen vooral de mannen en de jongens (waar zitten de vrouwen en de meisjes??) zich om een glimp van ons op te vangen. ’t Ziet al gauw, letterlijk en figuurlijk, weer zwart van ’t volk. Eten terwijl er zoveel volk op je vingers staat te kijken, dat is wel wennen. Maar we hebben honger en de chapati’s, de roereieren en de bananen smaken goed.

Voor Marijke wordt het even allemaal te veel. Gelukkig zijn we op zo’n momenten samen en wat bemoedigende woorden helpen wel. Ondertussen moet er af en toe een fietser door de mensenmassa, worden kinderen die zich naar voor wurmen weer naar achter geduwd of geslagen, durft een schurftige hond zich tot in de kring te wagen Die wordt er meteen weer uitgeschopt. (als je die beesten bekijkt ,weet je dat ze hier andere zorgen aan het hoofd hebben dan dierenzorg..). Koens blote, harige fietskuiten trekken duidelijk ook de aandacht. “Boxing-champion Belgiumdesh” maakt meteen indruk en de Bengalen duwen al direct een tegenstrever in de ring . Lionel kiekt de twee uitdagers en de strijd wordt dan wijselijk niet gestreden. Geert, alias ‘Maestro Gerardo’ zorgt voor de afleiding door zijn “tok-tok”- goocheltruck uit zijn mouw te schudden. Succes verzekerd! Het is voor iedereen een verademing als we even later weer op de fiets zitten in de rust van het platteland. Oef!

De wegen blijven hobbelig vol putten en stoffig en Willem brengt ons tot bij een stukje groen oase: palmbomen en bananenplanten rond een grote vijver. Hier wordt vis gekweekt. Picanol en Soliver maken hier een heleboel kinderen blij met t- shirts en petten. We fietsen tot Gouripur-medical-healthcenter waar we rond half twaalf verwelkomd worden door Fahra Diba. Zij werkt hier in het gezondheidscentrum van het district en vertelt over haar werk en de bestrijding van lepra en vooral van tbc. Die bacillen kan je maar effectief opsporen via het onderzoek van een opgehoeste fluim onder de microscoop. Ze toont ons ook hoe ze aan de hand van tekeningen de mensen in de dorpen informeert over het voorkomen van tbc, over de gevolgen, over de gevaren als de patiënt de behandeling voortijdig zomaar stopt als hij of zij zich beter voelt. Als we na een uur afscheid nemen beseffen we hoe moeilijk het werken is in deze primitieve omstandigheden.We vertrekken met een groot respect voor iemand als Fahra Diba.  

Als we later samenkomen met de jeeps, vertrekt ook Luc met ons mee in een riksja, over een beter stuk asfaltweg. Bij een steenbakkerij stoppen we. We zien hier ook kinderen aan het werk. Voor 150 taka per dag, een anderhalve euro, versleuren ze bakstenen op het hoofd. We zien ook hoe deze stenen gevormd worden, met de hand. Ze worden dan professioneel gestapeld en gebakken onder opgehoogde aarde. Als we later even stoppen voor een drankje en een hapje, komt een moeder ons hulp vragen voor haar slechtziende (blinde?) kleuter. Hier denken de mensen heel vaak dat we dokters zijn. Van op de verhoogde dijken waarop we fietsen passeren we velden waar altijd wel volwassenen en kinderen aan het werk zijn. Een boer egt het modderveld, zijn eg getrokken door een ossenspan. Terwijl we staan te kijken, ruilt Koen even zijn Belgische fiets voor een Bengaalse. Hij weet al vlug met welke fiets hij best onze tocht verderzet!

Even later rijden we op een opvallend drukkere zandweg. Alle Bengalen die we voorbijrijden hebben wel een of ander dier mee: kippen in manden op het hoofd of met vastgebonden poten ondersteboven bengelend aan de fiets, een eend onder de arm, een koe of een geit aan een touw... We komen aan op een beestenmarkt. Ik laat u raden wie hier het meeste bekijks heeft… Wij dus. Al gauw zijn onze fietsen weer omstuwd en terwijl de ene helft van ons even gaat zitten in een eethuisje, probeert de andere groep de markt te bezoeken. Er worden vooral veel koeien verhandeld want op 31 december is het voor de moslims het offerfeest. Diegenen die het kunnen betalen, slachten dan een koe. Ze houden daarvan 1/3 voor zichzelf, geven 1/3 aan familie of vrienden en verdelen het laatste derde onder arme moslims. Een bloemenkrans rond de nek van een koe, geeft aan dat het beest straks mag “deel-nemen” aan de feestelijkheden!  

Het is dus alweer een verademing als we weg zijn van de drukte. Maar de mensen blijven overal naar ons staan staren of je ziet de kinderen soms letterlijk schrikken en een hand voor de mond slaan.

17u en we komen aan in Netrakona. Ook de twee jeeps zijn hier al aangekomen. We zetten de fietsen binnen en laden mee de bagage uit. Lieven geraakt net op tijd op het toilet en moet vanavond dus nog even goed uitkijken wat hij eet. Als we om half zeven nog een warme maaltijd krijgen is het alweer donker. Het eten smaakt weer en na een dag overvol indrukken, praten we nog even na. Maar de vermoeidheid slaat snel toe. Iedereen zoekt een bed op. De koppels slapen per twee, Willem alleen en de zes singles slapen samen op een kamer. Kan je nagaan dat er daar weer gelachen is! 

 

Dag 7 Donderdag 28 december ’06    Netrakona  30 km

Vanavond slapen we nog een keer hier in Netrakona maar dat betekent niet dat we een rustdag krijgen! Na het ontbijt (en de malariapil niet vergeten) worden we ontvangen naast de deur door Rokeya. Deze Bengaalse richtte samen met tien anderen in 1985 “Sabalamby Unnayan Samity” (SUS) op : a self-reliance development society, een lokale NGO in het Netrakonadistrict. Ondertussen zijn ze werkzaam op vele vlakken. We krijgen van Rokeya in heel verstaanbaar Engels algemene informatie bij een kopje lekkere thee.

Daarna bezoeken we een dorpsschooltje. Met zes fietsers en gegidst door een jeep rijden we er naartoe. De anderen bezoeken een identiek schooltje in een ander dorp. Deze schooltjes zijn door Sabalambi zelf opgericht voor kinderen die om allerlei redenen door de mazen van het schoolnet vallen. Vaak moeten hun ouders hard werken om te kunnen overleven waardoor dat ze geen tijd hebben om zich met hun kinderen bezig te houden. Ze zijn zich niet echt bewust van het nut van onderwijs. Vaak komt er één groep in de voormiddag en één in de namiddag. Zesentwintig kinderen tussen zeven en elf jaar krijgen hier taal-en wiskundeles en een beetje Engels, drie uur per dag. De meeste leerlingen zijn meisjes en dat is een bewuste keuze! Ook zang en dans staan op het programma. We krijgen van alles een demonstratie en op het einde zingen ze zelfs “We shall overcome”. De Bengaal die ons begeleidt, geeft de juf geen kans om haar klasje in handen te nemen en dat geeft ons een “ambetant” gevoel. We delen nog schrijfgerief uit aan de kinderen en geven een zangdemonstratie: “five little ducks” worden er plots wel “tien”… en zo is een uurtje op school voorbijgevlogen. Maar we moeten snel terugfietsen want in het opleidingscentrum is een afscheidsfeest bezig…

De 60 meisjes die het voorbije jaar een opleiding volgden, zwaaien vandaag af. Het wordt een ontroerende bijeenkomst als enkele meisjes vooraan hun verhaal doen. Zo geraakt een meisje van veertien, Bodina, haast niet uit haar woorden. Als Rokeya voor ons vertaalt, begrijpen we waarom. Ze is hier terechtgekomen met haar dochtertje van twee, omdat haar man haar mishandelde. Toen de rechter besliste dan de man moest betalen voor het kind, doodde haar man hun dochtertje. “Ik wil van niemand nog afhankelijk zijn,” vertelt het meisje met de krop in de keel ,“en ik denk dat het zal lukken”…

We bezoeken nog een lokaal waar een kinesiste en een moeder bezig zijn met oefeningen met een kleuter. De jongen raakte verlamd bij de geboorte. Hier wordt de moeder geleerd hoe ze de spieren van de jongen moet soepel houden. Speelgoed kwam o.a. uit België hier terecht. De noodzaak van dit project is groot in dit land waar veel kinderen door zuurstoftekort bij de geboorte gehandicapt raken voor de rest van hun leven. De oorzaak is hier ook dat veel van de moeders nog veel te jong zijn als ze hun eerste kind op de wereld zetten. Sabalamby probeert dan ook via bewustmaking de vrouwen in de dorpen hiervan op de hoogte te brengen. Want een gehandicapt kind wordt hier nog al te vaak beschouwd als schuld van de moeder of als een straf van God.  

14 uur… Bezoek aan het hospitaal van de Damiaanactie in Netrakona. Hier zien we met eigen ogen hoe verzorgd en gestructureerd er gewerkt wordt. Bij het binnenkomen hangt een grote afbeelding van pater Damiaan. Lieven, ook met baard, bril en hoed hoort een Bengaal fluisteren dat ’father Damian’ aangekomen is… We worden hier dus heel gastvrij onthaald met een lekkere rijstmaaltijd en een koffie. We krijgen dan degelijke informatie over de werking van de Damiaanactie en de bestrijding van tuberculose in Bangladesh. Hier werken ze samen met het Tropisch Instituut van Antwerpen. Mister Acram volgde er een opleiding. Met de “slide-culture” die ze nu gebruiken, kunnen ze al na tien dagen weten of iemand tbc heeft. Met de nieuwe fluo-microscoop kunnen ze het onderscheid zien tussen dode en levende tbc-bacteriën. Een bouwkamp van de Damiaanactie zorgde mee voor betere infrastructuur. Het nieuwe labo is bijna klaar, de keuken is al in gebruik. Positief is ook dat de Bengaalse overheid het werk van de Damiaanactie waardeert. Ze vroegen om hier opleiding te geven aan mensen van de overheid in het labo.

De mensen die hier komen krijgen de verzorging gratis. We zien de verzorgde ziekenzaaltjes en bedden. Een zieke mama draagt een klein baby’tje. Het ziet er eigenlijk pasgeboren uit, maar blijkt al drie maanden te zijn. De mama had al tbc toen ze in verwachting was. We vragen of we een foto van haar en haar kind mogen nemen en krijgen haar kind bijna cadeau. Ze meende het! Een vrouw zit achter haar zieke man op het bed om hem te verwarmen. Hij wil wel op de foto en doet zijn best om er ‘waardig’ op te staan.

Bij de ondergaande zon fietsen we terug, het hoofd vol met informatie en indrukken. Voor vijf frank per riksja, rijden we dan naar het “winkelcentrum” van Netrakona. We hebben voor de overgang van oud naar nieuw elk één naam getrokken van iemand van de groep en gaan nu op “kadootjesjacht”. Het is hier echt wel gezellig om rond te lopen in de smalle steegjes vol met kleine open winkeltjes. We worden voortdurend aangestaard en aangesproken: “Which country you from?” “What you think Bangladesh?”  Als je dan je duim de lucht insteekt krijg je meteen een “big smile” terug. De lunghi-en sjaaltjesverkopers hebben goede dagen. Veel tijd hebben we niet. We verzamelen en duiken dan nogal overhaast riksja’s in als we plots een betoging over de hele straatbreedte op ons zien afkomen. Terug naar Sabalamby!

Daar kunnen we met dertien rond de tafel, bij een warme rijstmaaltijd,  gezellig napraten over een best wel gevulde dag. ’t Wordt nog gezelliger als de elektriciteit plots uitvalt en we in een verdoken hoekje een gekko horen roepen. Van uitblazen is er niet echt sprake: Willem toont ons feiten en cijfers over Bangladesh in een boeiende powerpoint-voorstelling. Na zo’n gevulde dag ben ik best wel moe, maar mijn hoofd zit nog te vol. Dus nog even het dagboek bijschrijven en dan onder de klamboe toch maar proberen te slapen.

 

Dag 8:  Vrijdag 29 december 2006    Netrakona - Durgapur - Ranikong  

We zijn vandaag 25 jaar vader en moeder want vandaag wordt Maarten 25. Bij Marc en Marijke is het hun oudste dochter die ook net vandaag jarig is.

Bij het morgenmaal bespreken we het nachtelijk gehuil van de jakhalzen. Weer heeft de muezzin ons uit onze laatste slaap gehaald. We moeten ook onze bagage sorteren want door een ingestorte brug kunnen de jeeps ons niet meer de hele reisweg volgen. Deze middag moet alles in een fietstas en een klein rugzakje. Back to basics. Jammer dat we voortdurend naar beneden moeten kijken want er is zoveel te zien!  
Stop! Een trein vol mensen. Wie er niet in kon, zit boven op het dak of hangt aan elk mogelijk uitsteeksel. Voor ons een visser die midden in de rivier een driehoeknet in de gaten houdt. Op eenvoudig verzoek haalt hij het even op. Dan komen we in het dorp Purbadhala. Daar staat al heel wat oproerpolitie. Mannen met zwarte bandana’s en ultramoderne machinegeweren zijn er bij. Herken ik hier FN minimi’s? Graag zou ik even dichter willen kijken maar ik heb nog genoeg verstand om dat niet te doen. Pas later zullen we horen wie die mannen zijn. Willem wil ons niet bang maken en houdt de griezelige details voor de laatste dag.

We komen in zo’n ziekenhuis van de staat : een kliniek van de plaatselijke upazila. Doffe ellende: loslopende hond, spinnenwebben, afbladderende verf. In de ziekenzalen liggen de slachtoffers van burenruzies en straatgeweld. Bij de vrouwen ligt een uitgedroogd meisje. Privacy is hier een nog onbekend begrip. Er is vandaag geen dokter. Beneden toont de huisbewaarder zijn kunstjes met zijn stok en scheidsrechtersfluitje. Dan zien we een politieke affiche met de foto’s van vijf gruwelijk vermoorde studenten. De tegenstanders zijn hier de beesten, de Awami’s zijn de besten. Die zouden zoiets natuurlijk nooit doen. Was dat maar waar.  
Plots brengt men een zieke man binnen. Hij wordt als een slap, opgerold tapijt door twee mannen gedragen. Even later komen ze naar buiten. De dokter komt zelf niet…ze moeten naar zijn huis naast de kliniek. Hemeltergend.

Op de terugweg worden we verrast door een betoging. Voorzichtig in ganzenpas doorrijden, de blik naar beneden, fingers crossed. De betogers zien ons, zijn verbaasd en zien terzelfdertijd de oproerpolitie met hongerige matrakken en geweren. Ze laten ons passeren. Oef! Om 14 uur is er in Birisiri een eetstop. We sms’en naar Maarten: “Proficiat met je 25 jaar!”. Weer een betoging. De temperatuur stijgt precies met het uur. Om halfvijf zal Awami beslissen of ze zullen meedoen met de verkiezingen.

Onder een prachtige boom zit een oude schoenpoetser. Zonder smeer poetst hij mijn bestofte schoenen. We halen ons overlevingspakket uit de valiezen en zeggen Luc vaarwel. Langs een brug in aanbouw over de Brahmaputhra  stappen we door een bijna droge bedding. Ze zijn al zes jaar bezig aan die brug. De locals hadden de bedding hier nog nooit droog gezien: global warming. In Durgapur kunnen we nog even shoppen. Ik vind het cadeautje voor Koen: een Indisch fietszadel. Ook een sjaal en een lunghi kunnen nog mee. Ik blijf even staan bij onze fietsen. We hebben hier weer veel bekijks. Een apotheker kent heel goed de DF. En de eigenaar van het huis waar de fietsen staan, nodigt me uit voor de thee. Ik was graag meegegaan maar ik voel me nog altijd misselijk en zou niet graag de tapijten van die vriendelijke man versieren. Ik weet ook niet hoe lang we hier blijven. In de uitstalramen zien we heel wat christelijke afbeeldingen en beeldjes. We zijn in christelijk gebied. Bij de zoveelste wankele overtocht (met twaalf in één bootje), zien we in een bootje langs de kant, een tiental moslimmannen bidden. We moeten uitstappen middenin een beestenmarkt. De dieren weten niet dat ze nog hooguit een dag te leven hebben.  

We fietsen nog een eind langs de oever van de rivier. Het is hier prachtig... zouden we hier niet wat tentjes opzetten? We zien aan de overkant ook voor het eerst bergen: de Megalaya, de voorbodes van de Himalaya.  Na een flinke klim rijden we de missie van Ranikong binnen. Het ziet  er veel verzorgder uit dan we verwacht hadden maar we hebben nog niet alles gezien.. De pater is een Mandi met dat duidelijk Tibetaans uiterlijk. Hij heet ons uitbundig welkom. Vooral Willem ziet hij graag weer. Later begrijp ik waarom. We worden verwelkomd met taart en cake, thee en koffie. Father Simon vertelt over het leven hier, nogal eenzaam en afgelegen en ook vochtig en warm en vol muggen en slangen, vooral in het regenseizoen. We zoeken elk een bed uit en al is de douche koud, het doet deugd om al het stof van je te spoelen.

Om 19 uur is er voor ons voor een rijstmaaltijd gezorgd. Ik eet niet veel want ik voel me nog niet goed. Geert toont de pater en zijn personeel nog wat goocheltrucjes. En of dat succes heeft! Mooi om te zien hoe ze ervan genieten. We zetten ons nog even buiten. Het is volle maan.  We zitten hier op een boogscheut van de Indische grens, aan de overkant van de rivier en in gevaarlijk malariagebied. Zeker de klamboe niet vergeten!

 

Dag 9  Zaterdag 30 december ’06    Ranikong - Boromari    60 km

Het was een onrustige nacht met veel geluiden die je thuis niet hoort. Een snurkende pater, ratten in het dakgebinte, jakhalzen, geweerschoten in de verte en mijn eigen braken hielden me uit de slaap. Ik sta dus moe en misselijk op. Lionel brengt me een kop thee om mijn malariapil te nemen. Ik kan niet naar binnen door de geur van het eten alleen al. Toch moet ik de fiets op want er zijn geen auto’s. Pas deze middag kunnen ze me helpen. Het juk bind ik nu steviger op mijn fiets vast. We zeggen onze vriendelijke gastheer vaarwel en zijn helpers zijn blij met de petten en shirts van Soliver. Nog een laatste foto: vaarwel ratten, jakhalzen, vleermuizen en gekko’s. Deze nacht zal ik niet vlug vergeten.  

Om 8u 20 vertrekken we uit Ranikong en langs de padi’s komen we plots bij steengroeven. We zijn al veel karren met zakken tegengekomen, maar nu zien we hoe mannen in een diepe sleuf de zachte kalksteen uithakken en hoe vrouwen de brokstukken in zware manden op het hoofd naar boven sleuren. Halverwege het nauwe pad geven ze de hoofdmand door. Ongelooflijk dat ze er in slagen om dit zelfs te doen met sierlijke bewegingen! Geert springt in de put om het ook eens te proberen. Hij houdt er drie dagen een stijve nek aan over!

Er komt veel volk kijken en we delen weer balpennen uit. Er is een hut in de buurt van een vriendelijke Mandi die vlot Engels spreekt. We worden bij hem thuis uitgenodigd. Ook hij is christen. Andreas is een observer van Brac en verdient 5000 taka per maand. De vrouwen van daarnet krijgen maar 60 taka per dag! Hij vertelt ons heel wat over de groeve. De brokstukken worden door de mannen met karren naar de boten getrokken over de stoffige wegen en gaan zo naar de porceleinfabrieken van Dhaka. Daar worden o.a. porceleinwerk voor Ikea  mee gemaakt… Om 10 uur worden we weer met zo’n platte schuit overgezet.

Om 11 uur worden we bij meneer Ali ontvangen. Hij is van de Mandi-people. De pater had hem al getelefoneerd dat er een zieke deelnemer aankwam. We krijgen bloemen als welkom en rijstsap met thee en koekjes. Zijn schoonzus had nog een cursus in Londen gevolgd en zo had ze ook “Belgium” (Brugge, Brussel) bezocht. “Het is bij jullie allemaal zo netjes. Jullie gehoorzamen de wetten. Als jullie binnen 10 jaar terugkomen, zal er hier al veel veranderd zijn..”

Om 13u 30 komen we in Haluagat om te eten en bezoeken een DOT-provider. Het was een uiterst vriendelijke ‘apotheker’ die heel vereerd was met het “hoge” bezoek. Hij neemt ook speekselstalen van mogelijke tbc-patiënten om in de stad te laten onderzoeken. Er worden hier ook koeien verkocht voor het nakende feest van Abraham. Gelukkig heeft God dat offer niet aan de moeder van Isaak gevraagd. Die zou neen gezegd hebben en dan hadden veel arme Bengalen morgen op hun kin kunnen kloppen. De ‘bideshi’ (wij dus) worden weer intensief bekeken!

Om 15 uur weer een bamboebrugje. Even later is er een steile afdaling naar onze geliefde Brahmaputra. Het paadje dat er geen is, is glibberig en Arlette kan zich plots niet meer in evenwicht houden. In een flits zag ik het prachtige beeldhouwwerk dat mijn vader ter ere van zijn patroon gemaakt had: St-Joris die jonge, frêle maagden uit de muil van een schuimbekkende draak redde. Daar wilde ik vroeger op lijken! Niet op die frêle maagden maar op St-Joris. Hoewel deze situatie niet helemaal conform is met mijn vroegere ambitie, maak ik een tijgersprong die mijn leraar turnen met verstomming zou geslagen hebben. Fiets en Arlette worden gestabiliseerd en ik blijf nog staan ook. Door de plotse adrenalinestoot ben ik verlost van mijn misselijkheid die me al heel de dag kwelde. Dank je, Arlette ! In het volgende dorpje kijken we nog even binnen bij een timmerman en nemen dan nog een serieuze helling naar de missiepost van de zusters. De mannen willen eerst aankomen.  

Alles is hier verzorgd en proper. De school en het weeshuis zijn leeg door het nakende feest. Enkele maanden geleden werd hier nog een wachter gedood door wilde olifanten; nu hebben de weesmeisjes een eigen betonnen gebouw met dikke tralies om de dikhuiden tegen te houden. We zijn weer op een steenworp van Indië. Boromari ligt boven op een heuvel en helemaal boven is er een kruisweg. In oktober is hier veel katholiek volk… als de moslims het toelaten. We laten heel wat medicamenten en spullen achter (o.a. Pfaff-handdoeken ). Sommige bijsluiters zijn niet in het Engels en we moeten vertalen. Dat die slimme dokters daar niet aan gedacht hebben.Het eten bij de zusters is extra goed. Ik blijf voorzichtig om mijn maag te laten rusten.

Boven is er nog Ricard en Luc toont een trucje met een Japans speeltje. We krijgen een geruststellend sms’je vanuit België van Maarten : alles is goed. Zelf neem ik nog water met een zout-glucose oplossing. Sadam is opgehangen. In een moslimland kan dit voor spanningen zorgen. Het is een schurk maar het is HUN schurk. We zijn heel moe en stellen ons geen vragen meer … of toch. Bij het tandenpoetsen vraag ik mijn spiegel of ik nu toch niet een beetje op St.-Joris leek. Hij toonde alleen een schuimbekkende draak. Slechte spiegel !

 

Dag 10  ZONDAG 31 DECEMBER     76 km     Boromari-Jalchatra

De wachters die de olifanten en de dieven moeten buiten houden, riepen de hele nacht naar elkaar zoals in onze middelleeuwse steden. Na een verzorgd ontbijt bezoeken we het meisjesinternaat. Alle meisjes zijn weg voor het feest. Hier heeft iedereen wel ergens familie.

Om 8u30 starten we langs goede wegen richting zuiden. Luc heeft weer een riksja gevonden om mee te rijden. Op een brug moeten we even op hem wachten. Weer komen de Bengalen op ons af. Willem leert ons dat we alleen onze rechterhand mogen gebruiken als we iets geven. Waar we stoppen om te eten zijn ze een bordspel aan het spelen. Met schijfjes schuiven ze naar vier gaatjes in de vier uithoeken. Karambol, één van de spelers overklast de drie anderen duidelijk. Ongelooflijk hoe trefzeker hij de ene schijf tegen de andere kan pitsen. Ik word aangesproken door een student diergeneeskunde die informeert of hij in België kon verder studeren. Hij wil ook weten of er veel racisme is en natuurlijk wil hij ook mijn adres. Dat heb ik beleefd afgewimpeld.

De rijst staat tot in de rivier en we zien prachtige waterbuffels. Langs de weg wordt al duchtig geslacht. Als we door een dorp rijden worden we achternagezeten door een joelende horde kinderen. Geert springt van zijn fiets en doet “ boe”. Is dat schrikken! Ze stuiven als mussen uiteen. We belonen hun ontzag met balpennen en ballonnen. Omdat we de vele gapers toch een beetje beu zijn, stoppen we ver van een dorp en eten op een stoppelveld. Er zit een gewonde jongen (van een hoge stelling gevallen) en die krijgt van Sien wat pijnstillers. Het ijs is dadelijk gebroken en ze komen zelfs met water zodat we onze handen kunnen wassen. Een student stopt om me te zeggen dat hij in de rouw is om de dood van een groot moslimleider (Saddam Hoessein). Ik wil hem vragen wie zijn leraar geschiedenis is. Even wil mijn leraarsinstinct de bezem halen door zoveel onwetendheid en hem het programma van de baathpartij onder de neus wrijven. Maar mijn voorzichtigheid wint en ik zwijg. Ik ben met vakantie. Terwijl ik mijn etende tochtgenoten vervoeg, moet ik toegeven dat Saddam gestorven is als Jezus: hangend en met veel bloed aan zijn handen.

De plaatselijke laten zich weer gewillig fotograferen en zijn heel blij met de cadeautjes. Er komt een riksja voorbij met een batterij en geluidsversterking. Ze maken propaganda voor de verkiezingen. Koen neemt even de micro om de Damiaanfietsers tot spoed aan te zetten… hier worden geen drie tenten gebouwd.
We rijden nu meer en meer over wegen waar de boeren hun rijststro drogen. Dat blijft in onze versnellingen haken en zo moeten we telkens stoppen om dat eruit te peuteren. De situatie wordt grimmig. De Awami-liga & friends roepen de algemene blokkade uit na het nieuwjaarsfeest. Dan zijn we net weg. Wel nipt hoor. Als ze maar niet vroeger beginnen. Willem krijgt een telefoontje van zijn thuisfront dat de werkloze textielarbeiders in Dhaka in opstand zijn gekomen. Dat belooft. Riet krijgt een dipje.
Dit had niets te maken met het pas binnengekomen bericht, gewoon even wat energie tekort. Een hapje tussendoor maakt het weer goed.

Om 16 uur bezoeken we de missiepost van pater Humrich, een Amerikaanse missionaris die hier al werkt sinds 1955. Hij vertelt over de slachtingen van de onafhankelijkheidsoorlog met Pakistan en hoe zijn missiepost vol lijken lag en hoe de Pakistani daarvoor nooit gestraft noch vervolgd werden. Om ons moed te geven vertelt hij ook over de stakingen en de toename van slangenbeten. Vroeger sliepen de slangen in het droge seizoen (nu dus) maar door de global-warming blijven ze het hele jaar door gevaarlijk. Elke dag wordt hier iemand gebeten. Hij geniet zichtbaar van onze stijgende onrust. Misschien wilde hij ons extra motiveren om even zijn kerk te bezoeken? Uit pure vriendelijkheid doen de Mandi-vrouwen nog even hun winkel voor ons open. We kopen een typische Mandi-pot. Pas later zal ik de gebruiksaanwijzingen van dit kleinood leren kennen. Mijn smaakpapillen steigeren telkens ik hem op de kast zie staan.

Om 17u10 staan we na 76 km voor de poort van het DF-hospitaal van Jalchatra. Hoewel we Willem waarschijnlijk niet blij kunnen maken met een abonnement op ‘Royalty’, heeft hij ons al verschillende keren verteld dat koning Boudewijn hier geweest is. Dit is voor lepra-watchers vast “the place to be”. We willen allemaal op de foto en dus vragen we aan een jonge Mandi om ons even te fotograferen. Hij is verlegen en durft niet goed. Een jonge vrouw komt naar voor en klaart die klus met zwier. Zo tonen de Mandi dat ze een van de weinige matriarchale gemeenschappen zijn die deze wereld nog kent. Luc wijst met enige trots op de muur van 800 meter die hij tijdens het  bouwkamp van 2005 zou gemetst hebben met de hulp van een groep Vlamingen waarvan de helft achttienjarigen. Ofwel had hij voor deze krachttoer een pact met de duivel gesloten, ofwel kreeg zijn groep substantiële hulp van een plaatselijke aannemer. Het laatste bleek het geval. Ook vond ik die muur niet hoog genoeg. Je moest toch al zwaar aangetast zijn door lepra of tbc om hier niet over deze muur te geraken. Dergelijke rabauwen raken toch probleemloos door de grote poort naar binnen? Luc bleef gelukkig bij zoveel onwetendheid een geduldige leraar. Een muur in dit land dient niet om onverlaten fysiek tegen te houden, het is een louter psychische barrière! Glasscherven in het metselwerk hoeven helemaal niet. Alleen een hardvochtige westerling komt op dit idee. Willem stelde mij gerust met de mededeling dat al wie hier het muurtje doet zonder een correct ziektebeeld of CV door de bewakers de schedel wordt ingeslagen. Mijn pas verworven ideaalbeeld van de Nobele Wilde spat als een zeepbel uiteen! Quarantaine betekent hier de gezonden van de zieken weghouden, bij ons is dat juist omgekeerd. Het Land-Van-Alles-Anders dat Bangladesh heet, blijft verbazen!

Geschrokken grabbelen we al naar onze geloofsbrieven als de poort openzwaait : we worden duidelijk verwacht. De ommuurde tuin met de witte gebouwtjes straalt een rust uit die we sinds thuis niet meer geproefd hebben. Oorspronkelijk was het van Amerikaanse nonnen maar de DF nam het over. Vroeger was dit hier nog de wildernis, ideaal dus voor een Molokaï.

De koffie en cola staan al klaar. Luc heeft de valiezen al in de kamers gezet. Lionel en Arlette slapen in het paviljoen waar Boudewijn en Fabiola ooit geslapen hebben. In het gastenboek staan nog bekende namen: prins Filip de Belgique, Mathilde, Markske van de kampioenen... Het duurt een tijdje voor we de klamboe kunnen hangen. De haakjes van Geert komen goed van pas. Om 19 uur hotsten we met twee jeeps door het woud naar een dorpje van de Garo-people. We zullen samen nieuwjaar vieren. Over zandpaden door banananplantages worden we stilaan goede medicijn: geschud voor gebruik. We worden verwelkomd met muziek en kleine meisjes gooien bloemen op ons pad. Elk van ons krijgt ook een ruikertje, een Mandigewoonte. Ze plaatsten ons aan een lange tafel en we zitten daar in koloniale stijl te kijken naar hen en zij naar ons. Op de barza krijgen we eten: rijst met kip en groenten, maar zonder bestek.

Daarna zitten we weer aan onze kolonialentafel om naar de dansjes te kijken. Hoewel het een matriarchale maatschappij is ,voeren de mannen het woord. Dat ze dat voor ons in het Engels moeten doen, is misschien de oorzaak. De rijstwijn wordt al in een groot vat gegoten en vermengd met voor ons onbekende ingrediënten. Onze ongerustheid stijgt ten top als ze ons eerst laten proeven. Het goedje smaakt als de inhoud van een vergeten nachtemmer waar men enkele asbakken heeft in gekieperd! Walgelijk! De jungle wordt even de Hof van Olijven: ”Laat deze beker aan ons voorbijgaan...” Tweehonderd ogen doen ons drinken. Wie handig is, kiepert een deel op de wortels van de palmen achter ons. De enkele stroompannes die ons zegenden met totale duisternis helpen daarbij. Alleen Mark en Willem laten het zich smaken. De Mandimannen zijn er ook niet vies van en raken stilaan boven hun theewater. Onze dames die naar het toilet moeten, eisen een escorte. Wijs.  

Veel meisjes en enkele jongens hebben echt hun best gedaan om mooie dansjes voor te bereiden, maar door voortdurende pannes met de muziekinstallatie loopt veel in het honderd. Een oude Mandi komt met een krijgsdans die waarschijnlijk een lokale evocatie van hun honderdjarige oorlog is. Op het einde van zijn act is hij heel blij met de overwinning die hij voor zijn stam behaalde. De meisjes dansen oogstrelend. Hun gevoel voor gratie en ritme kan alleen maar verbazen. Dit blijkt  als wij naar voor worden geroepen om ook iets van onze” rijke cultuur” te tonen. De keuze voor een Engels kinderliedje ligt al gevoelig want er zijn genoeg toehoorders die het kunnen verstaan. Met als enig excuus dat we toch wel moe zijn van het vele fietsen en dit proberen goed te maken door een totaal gebrek aan voorbereiding van onze act, hotsen we als een kudde reumatisch bizons in het rond. Een preciezere beschrijving van dit culture Waterloo wil ik u besparen. Na deze beproeving klappen de vrouwen beleefd en de mannen zijn intussen te dronken voor enige evaluatie. Willem ontmijnt de situatie met een gesmaakte speech in het Bengaals. Kort samengevat : door de vele verplichtingen die we nog hebben, kunnen we niet langer blijven. Het wordt dus een strategische terugtocht naar de dichtstbijzijnde zandweg waar we in de wegscheurende jeeps beschutting kunnen vinden. Maar de jeeps zijn er niet. Daar staan we dan onder een volle maan en omringd door oerwoudgeluiden te wachten op Willem die met twee nog niet beschonken Mandi-jongens de verdwenen jeeps gaat zoeken. Voor hij ons verlaat, stelt hij ons gerust : de meeste tijgers verlaten het reservaat nooit en de zwervende, wilde olifanten zitten meestal meer naar het noorden, wel even oppassen voor brilslangen…

Felle ogen en een diep gegrom uit de struiken voorspellen het einde… van het lange wachten: daar zijn de jeeps. In hun slaap gestoord door het feestlawaai, gingen de chauffeurs een kilometer verderop slapen! Willem beheerst zijn woede en fluistert tussen de tanden iets van: “Waar zijn mijn C-viers”… Een kwartier later zijn we weer ter plaatse om ons nieuwjaar te vieren. Ilse tovert champagne en iedereen haalt zijn cadeautjes. Daar Riet voor mij iets moest kopen, was ik niet verrast met twee lungy’s. Riet krijgt van Willem een geborduurde lamp. Koen is blij verrast met zijn Indisch fietszadel en Ilse krijgt met haar karambolbordspel toch wel het grootste cadeautje. Marijke heeft met die fuik gesleurd om ze aan Geert te geven en we hebben ons voor niets zorgen gemaakt hoe Ilse die grote mat op het vliegtuig zal krijgen: ze is voor Willem. Er wordt  flink gezoend als 2007 begint... Wie had gedacht dat we Nieuwjaar hier zouden vieren?? Thuis houden ze rekening met het tijdsverschil van vijf uur : de sms’jes komen stipt op tijd.

Even kan ik de slaap niet vatten. Ik pieker over onze smadelijke afgang met onze Toast Marginal van daarnet. We hadden beter uit volle borst een Vlaams liedje gezongen. Willem zou het wel verkocht hebben als ons nationaal volkslied. Iets waar we de tekst nog van kennen. Liefde gaf u duizend namen, of iets dergelijks. Ik keek nog even onder mijn bed. Dat was lang geleden.

 Dag 11:  MAANDAG 1 JANUARI 2007 : JALCHATRA

Om 8 uur… ontbijt met chapati’s met ei . De gelegenheidskok sprak van een ‘snottebel’. Hier hebben onze voorgangers hun sporen nagelaten. Boudewijn gaat zeker vrijuit, Laurent ( de Belgique ) daarentegen… .

Tine is duidelijk ziek, ze rilt en heeft maagpijn. Voor Sien roepen we even de dokter. We zijn bijna te laat om met de 4x4 naar de Mandi-missie te rijden. De chauffeur komt op zijn dooie gemak aansloffen. Willem, Lionel en Arlette, Marijke en Marc en Riet rijden mee. De anderen doen het even rustig aan. De kerk van pater Humrich eenvoudig maar heel net. De schoenen blijven buiten en iedereen zit op de grond. Voor Riet zit een grijzende asceet die later een Nieuw-Zeelandse dokter blijk te zijn. De oude pater doet als zittend de mis en heeft er duidelijk zin in. Vooral de vrouwen zorgen voor het gezang, het kleine orgeltje dat we gisteren zagen, is er ook.  De muren zijn versierd met eigen tekeningen. De eigen weergave van de kruisweg verraadt enige soepelheid met kerkelijk dogma’s. Wacht tot ze hier de Da Vinci-code in het Bengaals kunnen kopen. Op 1 januari wordt wereldwijd een mis gelezen voor de vruchten der aarde. De talrijke opkomst en de gedrevenheid van hun gebeden tonen dat ze nog heel goed beseffen dat de natuurlijke rijkdommen geen vanzelfsprekendheid zijn. Wonderfull people noemt pater Humrich zijn Mandi. We kunnen inderdaad wat van hen leren. Zij ook van ons ?

Van het sermoen en de rest begrepen we weinig of niets. Even verwijst de pater naar zijn bezoekers want iedereen kijkt in onze richting en we krijgen een applaus. Na de mis worden we nog op de thee uitgenodigd door de assistent van de pater. Boven de tafel vol koekjes hangt een primitieve waaier die door een plankpedaal heen en weer kan bewogen worden. De jonge pater heeft zo zijn bedenkingen over de werkwijze van de Nieuw-Zeelandse dokter van daarnet. Al zijn medewerkers zijn Bengalen en moslims en na zijn dood nemen die dat zeker over. Je kon in zijn kritiek de angst van de Mandi horen om door de immer talrijker wordende buren overspoeld te worden. Hij vertelt waarschijnlijk geen sprookjes. In dit doodarme land worden overal nieuwe moskeeën gebouwd. Nu de islam duidelijk oprukt, krijgen de christelijke enclaves hier klamme handjes. Na de dood van pater Humrich zal de geldstroom uit Amerika vlug opdrogen. Ze zijn er zich van bewust. De jonge pater zucht dat de Mandi (strijders!) veel te vredelievend zijn en de kaas van hun brood laten nemen door de veel flamboyantere Bengalen.  

Op de terugweg heeft Willem het over leuke ziekten die fruitetende vleermuizen op de lokale bevolking overbrengen. Na hevige koortsaanvallen sterf je binnen de twee dagen. De auto stopt plots na een kort bevel. Omdat mijn haar nog rechtstaat, zie ik niet onmiddellijk dat Willem ons wilde apen in een naburige boom wil tonen. Het is een familie roodbuiklanguren die hij “ingehuurd heeft” om voor ons hun kunstjes te tonen. Door de ontbossing moeten ze af en toe over de grond lopen waar ze de prooi worden van de honden. Zo worden ze zeldzaam. Het slachten van koeien langs de weg neemt bijbelse proporties aan. Straks hebben ze er niet één meer over. We lopen nog even door het mooie domein tot bij een uitgeslapen Lionel en Arlette: je slaapt niet elke nacht in het bed van de koning. Geert mort dat je hier naar de mis moet gaan om apen te zien.

Om 11 uur toont dokter Mihir ons zijn hospitaal en zijn zieken. Eerst wordt een leproze binnengebracht voor zijn voetverzorging. Dr. Mihir is duidelijk niet tevreden over de inspanningen die een patiënt doet om de gevoelloze verwondingen aan handen en voeten goed te verzorgen. ”Als hij zo verder doet, moet ik zijn voet afzetten”. Verdenk de arts bij deze niet van ongevoeligheid, patiënten moeten hier kordater aangepakt worden dan bij ons. Er is nog zoveel onwetendheid. Intussen werd Ganesh, een muzikant, door twee verplegers aangepakt. Zijn klompvoet vertoont gaten waar hele kompressen met ontsmettingsstof in gepropt werden. Met een tangetje wordt dat er dan weer uitgepeuterd. Intussen geeft dr. Mihir uitleg en antwoordt hij op onze vragen. Hij heeft in Rusland gestudeerd en werkt al lang voor de DF. Na het bezoek aan de tbc- paviljoenen verwonderde ik me bij hem over de moslimvrouwen die hier probleemloos door mannelijke dokters en verplegers worden behandeld. Hij begreep het probleem niet. Toen ik vertelde dat bij ons moslims vrouwelijk medisch personeel eisten voor hun vrouwen en dochters wilde hij me niet eens geloven. Pas toen hij zag dat de andere bezoekers bevestigend knikten, nam hij mijn vraag ernstig. Hier in Bangladesh, een moslimland, had hij dat nog nooit gehoord. “Die moslims proberen interessant te doen”, beet hij van zich af. In een land met zo weinig dokters had ik duidelijk de verkeerde vraag gesteld. Hier hebben ze geen tijd voor pietluttigheden. Beter oppassen als ik nog iets vraag.

Wat mij van dr. Mihir zal bijblijven is zijn grote bezorgdheid voor zijn vele patiënten en zijn totaal gebrek aan eerbied voor zijn beroepsgeheim. De wet op de privacy is hier nog niet door het parlement geraakt. Van elke patiënt wordt het ziektebeeld uit de doeken gedaan. Dit blijkt hier heel gewoon te zijn. Nadat we al die wonden en ingevallen wangen van de tbc-lijders van dichtbij zagen, gingen we eten.

De rest van de dag verloopt rustig. Onze zieken slapen eens goed uit en wij gingen naar het dichtste dorp om te kijken of we nog iets voor het thuisfront konden kopen. Door het feest was alles gesloten. Alleen de slachters maakten overuren. We gingen eens kijken naar de verdeling van al dat vlees. Tussen de bomen lag het vol bananenbladeren en daarop lagen hoopjes vlees die met een eenvoudige weegschaal eerlijk verdeeld worden. De armen stonden geduldig te wachten. Bij ons heet dat paternalisme en hebben we dat vervangen door de sociale zekerheid. Dit gebruik komt ons hier wel goed uit. De armen hebben zeker de eerste dagen hun buikje vol en barricaden worden alleen gebouwd  en bemand met een lege maag. We hopen dat we weg zijn tegen dat het rommelt. Wat zijn we weer cynisch.

Willem krijgt weer een telefoontje uit Dhaka. Zijn geruststellende uitleg contrasteert met zijn gelaatsuitdrukking van daarnet. Hij zegt niet alles om ons niet ongerust te maken. De werkloze textielarbeiders zouden nog altijd amok maken in Dhaka. Als het maar dat is! Als alle duiven wakker of terug zijn,toont Willem de rest van de Bangla-presentatie op zijn laptop. Het is gewoonweg niet te geloven hoe één land op zoveel rampen en mistoestanden kan geabonneerd zijn. Noem een onheil en het is hier gebeurd, het is aan het gebeuren of men verwacht  een spoedige demonstratie ! De doorlichting is hier nog niet geweest, ze zien er waarschijnlijk geen doen aan.  
Na weer een portie ellende gaan we slapen. We hebben de bedden tegen elkaar geschoven om één muskietennet te delen. De valiezen gaan dicht om geen “brilslangen” te vangen, maar het is een gekko die plots op het uiteinde van het bed van Riet verschijnt. We horen hem roepen in de kamer als de lichten uit zijn. Ik kijk nog even onder het bed. Weer geen brilslang.

 

Dag 12:  DINSDAG 2 JANUARI 2007    60 km   JALCHATRA- MYMENSING

Om 5 uur vindt de plaatselijke muezzin dat we genoeg geslapen hebben. Vanop zijn minaret beweert hij dat er maar één god is en dat mohammed er meer van weet. Daar we alleen het eerste deel geloven, slapen we nog wat verder. Toch moeten we er op een onchristelijk uur uit. Om 7u is alles opgeladen en zitten we al aan ons ontbijt: chapati’s met snottebellen. Riet gaat samen met Arlette nog naar Ganesh, onze melaatse muzikant die gisteren onder zijn voeten kreeg (sic). Arlette geeft hem nog T-shirts. We nemen nog enkele foto’s van het paviljoen waar de koning verbleef.

We rijden naar het nationaal park van Madhupur. Snel wordt duidelijk dat Tine haar genezing heeft overschat. Ze kan niet meer en we riepen de jeeps ter hulp. Even wachten bij een theestalletje aan de ingang van het park. Met een noodvaart ontwijken we een half uur lang de vele putten en bulten van een zandpiste die ze hier een weg noemen. Bij ons heet dat een dreef! In de verte zien we apen in de mist. Ze zijn te klein om er een film over te maken: weer roodborstlangguren?. Een onbeschaamde jakhals is helemaal niet onder de indruk van zoveel voorbijzwoegend onderwijzend personeel en wandelt op aaiafstand voorbij. Als we het park uitrijden, blijkt de fiets van Riet te haperen. Is de as misschien gebroken? Ze neemt de fiets van de zieke Tine onder haar hoede. In de kleine dorpen delen we onze laatste T-shirts en ballonnen uit . Het zijn onze laatste kilometers. Om 12 u hebben we al 40 km op de teller. In een gehucht staan ze weer hun karambole te spelen. We proberen de spelregels te achterhalen. Sien, Ilse en Riet moeten genoegen nemen met een vies toilet.  

We eten om 13u 30 op een verlaten stoppelveld. Koen en Geert nestelen zich in een hooimijt. Eindelijk rust, geen groepen Bengalen die het eten uit onze mond gapen. Dit klinkt brutaal maar eigenlijk hebben we weinig Bengalen gezien die honger hadden. Er is wel een groot tekort bij veel mensen aan een gevarieerde voeding. Als er weer genoeg kinderen staan, toon ik hen de foto van Ward met zijn uil. Ze denken dat al mijn leerlingen in de klas een uil op hun arm hebben om beter te kunnen studeren. Zelf staan ze maar wat graag op de foto. Voor de eerste keer vragen ze geld om gefotografeerd te worden. We zijn niet meer ver van een grote stad, zoveel is zeker.

Koen heeft een nieuwe bat gekocht en wil die ruilen voor een doorleefd en gebruikt exemplaar. Plots zien we een twintigtal jongens op een veld cricket spelen. Koen erop af. We delen onze laatste petten uit en de deal is vlug gesloten. Koen heeft zijn oude bat in handen en demonstreert nog even dat hij nog veel moet leren om wat dan ook  ermee te raken. Een grote roofvogel zweeft loom boven deze smadelijke afgang. We duiken de drukke stad in en Willem rijdt weer veel te snel tussen al die Riksja’s door. Is hij dan niet bang om iemand van ons te verliezen in deze heksenketel? Geert rijdt achteraan met de walkietalkie. Hoewel het feest nog bezig is, is het hier heel druk. Plots herkennen we ons weer en we staan vlug voor de vertrouwde poort van Caritas. Nu is het nog licht en we zien grote vleermuizen aan de elektriciteitsdraden hangen : dood.

Luc en Tine zijn hier al lang en klagen dat er veel gesloten is. Zullen we nog cadeautjes kunnen kopen voor thuis? Omdat ook alle restaurants toe zijn, zullen ze hier voor ons koken. Eerst gaan we toch maar even de stad in om te zien of de winkelloze toestand zo hopeloos is. We gaan te voet en half vergast stoppen we bij een internetwinkel. Koen en Ilse willen een glimp van de beschaving opvangen en gaan on-line. We stappen verder langs gesloten winkels. Overal liggen natte koeienvellen te stinken. We stoppen voor een spoorweg en plots zitten we in een betoging.

Het is donker geworden. Lionel wil nog naar een muziekwinkel en ik wil wel mee maar Riet wil naar huis (Caritas dus). Ze zal wel  alleen een riksja nemen. No way! Als zij gaat, ga ik zeker mee. Terwijl Willem een driver vindt die heel zeker de weg weet, krijg ik een preek over mijn gebrek aan vertrouwen (in riksjadrivers) en over vrouwenemancipatie. Stiekem volg ik elke richtingsverandering op mijn kompas. Nu rijden we met een fietstaxi zonder licht door aardedonkere steegjes. Uit het niet duiken dito riksja’s op die we telkens nipt ontwijken. Plots stoppen we voor de missiepost… van de Hare Chrisna. Hem uitschelden heeft geen zin want hij verstaat geen woord Engels. Eigenlijk spreken wij niet genoeg Bengaals maar ik ben te kwaad om even deze nuance te smaken. De omstanders ( in dit land zijn er overal omstanders ) hebben ook nog nooit van Shakespeare gehoord en natuurlijk roepen we Molière, Goethe en Gezelle niet ter hulp. We moeten voortmaken voor er hier een paar minder frisse elementen zien dat we de weg kwijt zijn. Aan de manier waarop ze mijn arm vastneemt, voel ik dat ik die preek van daarnet over vrouwenemancipatie niet zo letterlijk moet nemen. Dit ideaalbeeld kan zeker even wachten tot we weer op de grote weg met al die stinkende koeienvellen zijn.

Vandaar kennen we weer de weg naar de echte missie. Ze deelt nu ook mijn dada voor nautische instrumenten. Even kijken: de driver reed over de spoorweg en week sterk af naar het westen. We zijn nog niet aan de dwarsweg die uitkomt aan het verkeersplein dicht bij die Chinees. Als we nu zoveel mogelijk naar het oosten gaan en de kleine steegjes vermijden, moeten we weer op die bekende noordzuid-as geraken. We stappen flink door om niemand op verkeerde ideeën te brengen. Al naar het oosten zoekend, gaan we door gelukkig steeds breder wordende weggetjes. Steegjes worden straatjes, straatjes worden straten met hier en daar een lantaarn. Plots staan we op een brede laan. Die volgen we naar het zuiden en aan het plots lossen van haar stevige greep weet ik dat ze een eerste herkenningspunt heeft gevonden. Riet is daar nu eenmaal beter in dan ik. We vonden de stinkende vellen weer en dan het drukke verkeersplein en de internetwinkel waar Luc en Ilse zich laven aan de enkele druppels beschaving die de bouwvallige computers doorlaten. We lopen liever dan nog een riksja te nemen. Aan de spellingsfout moesten we een aardedonker steegje in en bijna op de tast vinden we de poort van Caritas. Geert en Sien die samen met ons vertrokken zijn er ook nog maar net want ze hadden ook zo’n slimme driver .

Wat later zitten we samen te eten. Lionel is trots op de muziektrommeltjes die hij gevonden heeft en Mark probeert  ons van zijn bovennatuurlijke gaven te overtuigen. Tevergeefs, we blijven liever “blij”-gelovig. Bedtijd! We horen nog een luidruchtige betoging, dan een straatruzie, dan… niets meer.

 

Dag 13: WOENSDAG 3 JANUARI 2007 : MYMENSING - DHAKA

De nacht was onrustig. Er was een grote betoging en een scheldpartij. Vroeg in de morgen maakt de muezzin reclame voor zijn octrooi op de hemel. Mijn verlossing zoek ik voorlopig op het toilet en dat niet zonder succes. Dat lucht op! Nog even slapen. Na het eten moeten we nog een bezoekje brengen aan het plaatselijke DF-hospitaal. Het is maar vijf kilometer en omdat ons vertrouwen in de plaatselijke riksjadrivers nog ver onder het vriespunt zit, nemen we onze fietsen die al gehoopt hadden op enkele weken rust. De echte reden is dat Willem met het ontmoedigende bericht kwam dat we nog maar 490 km gereden hadden. Geef toe dat thuis kunnen zeggen dat je 500 km door Bangladesh gefietst hebt een betere referentie is. Ze vragen al niet meer waar het ligt. Als je dan al onze ontwijkende manoeuvres voor die vele putten en bulten erbij telt, zitten we los boven de 600 km. Zeker weten.

En zo zag een stalend wit gebouw twaalf fietsers aankomen na een ontspannende rit. We zijn al wat gewoon. Een groot bord dat de sponsors uit het verleden en de toekomst bejubelt, ondergroef een beetje de vrijblijvendheid van hun warme gastvrijheid. Maakte de confrontatie met zoveel armoede en onrecht mijn al wat cynisch? Het is zeker mijn handelsmerk niet.

Bij het zien van de verbaasde Bengaalse gezichten die weer een grote inspectie van de Founding Father Himself vreesden, was ik op slag genezen. Onder het portret van De Veuster wachten we op de verwarring van de baas van het ziekenhuis . Die was van dat slimme soort dat altijd stipt op tijd zijn huiswerk maakt: Damiaan was al meer dan een eeuw dood en ik was een maar matige lookalike van die grote man van Molokaï. Hij was gewoon van blanken te zien. De stielbederver heette meneer Subash en alhoewel hij geen arts was,  leidde hij ook het ziekenhuis van Netrakona. Een team van 216 mensen weten dat er met hem niet te spotten valt. Bij een verfrissing liet hij er geen twijfel over bestaan: lepra bleef een belangrijk aandachtspunt maar de grote killer is hier de tbc. Bij de rondleiding viel de netheid van het geheel weer op. Dit was een gesloten geheel met een binnentuin. In een land waar alles moet bewaakt worden is dat nog zo handig. Een groep melaatsen zat de voeten te weken om daarna verzorgd te worden. Het was de bedoeling dat ze dat dan thuis zelf ook deden. Dit wil niet altijd lukken in al dat stof van het droge seizoen en de modder van straks tijdens de moesson. Na de rondgang in  het labo, de ziekenzalen met voornamelijk tbc- patiënten en de eigen schoenmakerij vroeg men ons iets vriendelijks te schrijven in het gulden boek. Mijn tochtgenoten gingen er verkeerdelijk van uit dat mijn Engelse schrijfkunst van een superieur niveau was en keken naar de Chinese vrijwilliger die dan maar enkele zinnen neerkreunde. Ik eindigde met: We will not let you down. De directeur wilde het onmiddellijk lezen. Schuldbewust gaf ik mijn miskleun af en hij las mild over mijn fouten heen. De laatste zin deed hem iets want hij las die luidop. Dit ligt hier gevoelig. Heel wat Bengalen werken voor een NGO’s maar ze weten dat die plots hun werking kunnen stopzetten. De DF werkt hier al heel lang maar ze weten dat  fundraising afhankelijk is van de goodwill van het thuisfront.  

Buiten herhaalde ik nog eens voor de groep wat ik geschreven had om de directeur die ons uitgeleide deed een hart onder de riem te steken. Het werkte. De fietsen stond dicht bij elkaar op een kleine vrachtwagen en de jeeps ronkten al. Ze hadden een soort handdoek rond hun hoofd gebonden. De Japanse kamikases deden dat ook maar deze oosterlingen hadden het waarschijnlijk gewoon koud. Riet stapte in de andere jeep. Thuis wachten nog twee kotstudenten. Dit illustreert ons vertrouwen in de Bengaals stuurmanskunst. Ik klap de deur toe en zoek vergeefs naar de veiligheidsgordel. Even vertoef ik weer bij Dante: Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt. Het valt al bij al nog mee. We worden niet op het inferno maar alleen op het purgatorio (vagevuur) getrakteerd. Eerst even tanken voor we de dodenweg naar Dhaka opdurven. De politieke posters langs de weg en in de eetstalletjes verraden de stijgende koorts. Eens het feest voorbij zal het er gaan stuiven! Rijstvelden, een diepe put midden in de weg, toeteren, remmen voor een riksja. Overal liggen gedemonteerde runderen en even dreigt een riksjadriver hetzelfde lot te ondergaan als hij een pas geschilderd zebrapad van drie extra strepen voorziet. Een zebrapad in een land waar men niet eens een stoplicht respecteert! Is er dan toch hoop voor dit land? Na twintig zware en honderd twintig lichtere overtredingen, enkele fantastische uitwijkmanoeuvres, een straal genegeerd stoplicht en een boel opgestoken vuisten ( een meer subtiel gebaar is hier nog niet bekend en het is niet aan ons om dit hier te introduceren) later zijn we weer in ons geliefde Dhaka. De straat voor het hotel zit afgeladen vol mensen die voor het huis van een politicus die in volle verkiezingsstrijd nog de tijd had om aan zijn religieuze plichten te denken, zitten te wachten op hun portie vlees. 

Willem wil ons nog eens laten winkelen en we moeten weer in ijltempo uit het hotel naar het centrum van de stad. Daar wachten enkele winkelcentra op onze taka’s. Textiel is hier overvloedig aanwezig en het past zo goed in onze valies. Rond een kleine parking stoppen we om de dames de gelegenheid te geven parels te kopen . Dit wordt een half uur wachten. Willem vertelt langs zijn neus weg dat er ook antiekzaakjes op de gaanderij zijn waar oude scheepsspullen verkocht worden. Een half uurtje maar !  Nooit zagen ze hier een westerling met een hoed op zo snel de trap oprennen! Voor ik binnen ben, zie ik al patrijspoorten en scheepsklokken blinken. En binnen…WAW… de grot van Ali Baba ! Cardanisch opgehangen kompassen, katrollen, scheepschronometers, telegrafen, antieke klokken uit Hindoetempels, bellen van Boedhisten, muziekinstrumenten, nautische instrumenten waar ik jullie de namen van bespaar, roepen om het hardst om cultureel asiel in België. Met pijn in het hart red ik een klein Hindoebelletje en een antieke sextant  (nee mis, het is een nautisch instrument ) red ik van de ondergang. Dat prachtig kompas en die grote Hindoeklok schreeuwen hun teleurstelling uit. Te zwaar! De toeter van de jeep wordt ongeduldig. Voor één euro koop ik nog vlug een koperen fluitje dat de zeven zeeën zag. Waarom moest er mist hangen in Londen? De dames kiezen nog rustig wat parelsnoeren. Nu moet alles vlug gaan. Willem gaat naar zijn huis om nog wat op te ruimen en wij proppen onze valiezen vol. Handige Geert maakt met het karton van de fietsen een groot pak voor het speelbord van Ilse. Onze twee jukken passen er diagonaal in. De fuik en de manden binden we samen.

Niet getalmd, we worden verwacht in het huis van mister Joe. Een volle aflaat later staan we voor het zwaar versterkte huis. In de traphal zien we het al, ze zijn christenen. Eens binnen laten de vele religieuze afbeeldingen van het soort dat in mijn prille jeugd de wachtkamer van het klooster van tante non sierden.er geen twijfel over bestaan: hier moeten christenen zich schrap zetten om te overleven. De postconciliaire softheid van bij ons zou hen hier binnen de kortste tijd wegvegen. Een mechanische kerstman bracht een heidense noot die ons na korte tijd toch op de zenuwen begon te werken. Handige Geert zorgde voor een plaatselijke stroomonderbrekening die hem ( de kerstman ) het zwijgen oplegde. De pater familias brengt bier en andere drank. Recht van de taxfree van de luchthaven wordt er gefluisterd. Alleen drinken in het openbaar door moslims is hier verboden. In Arabië is men veel strenger. We krijgen ook te eten en ze kenden duidelijk de zwak van de Europeanen voor sterk gekruid voedsel. De dochter werkt in de internationale school en ze polst al meteen of iemand van ons hier wil blijven. We zien er blijkbaar heel competent uit. Ook wil ze weten hoeveel gewapende mannen we voor onze fietstocht ingehuurd hadden. Onze ontkenning lacht ze weg met de opmerking dat dat natuurlijk alleen maar mogelijk was omdat we blanken zijn. Ook de pas binnengekomen bankier doet een racistische duit in het zakje: hij wil Willem in zijn bestand en geeft zijn kaartje. Hij kan voor DF heel wat regelen wat andere banken niet kunnen. Willem wil hem ontmoedigen door zich financieel zwak voor te stellen maar dat ontmoedigt de bankier geen zier. Hij wil gewoon een westerse naam in zijn klantenbestand om anderen over de brug te halen. Zoals ik al zei: privacy stelt hier niet veel voor. We kunnen niet langer blijven want Joe vertrekt morgen naar Australië om zijn MBA te halen en wij moeten nog een paar uurtjes slapen voor we naar het vliegveld vluchten. Morgen eindigt het grote nieuwjaarsfeest.  We gaan zo snel mogelijk slapen en spreken af wie  wie zal wekken want we mogen ons zeker niet overslapen. Na de douche dommelen we vlug in. Een antieke klok en een teleurgesteld schommelend kompas kijken mij triestig aan als ik de ogen sluit.

Dag 14: Donderdag 4 januari 2007    Dhaka - Londen - Brussel

Na een wel heel korte nacht rinkelt de telefoon: 2 u Opstaan!

We grijpen onze gereedstaande valiezen na een kattenwas en rennen naar de hall waar Willem al ongeduldig op ons zal wachten want hij gaat ook mee naar België. Hij zal nog minder geslapen hebben want hij moest zijn huis nog wat ordelijk achterlaten. Dit is natuurlijk Bangladesh . De jeeps zijn er nog niet en Willem ook niet. Het begint te spannen. Eindelijk kunnen we vertrekken maar de chauffeur van onze jeep krijgt de valiezen niet allemaal gestapeld en we vertrekken een stuk later. De wegen zijn zelfs op dit onchristelijk uur niet verlaten maar de drukte is weg. Zo komen we bij het verlichte luchthavengebouw en het lijkt groter dan toen we vertrokken. Toen was het contrast met dat van Dubai groot (paleis-parochiezaal). Het inklaren verloopt vlot. Er is nog niet veel volk. Nog even langs de tax-free. Koen heeft voor een jaar sigaretten mee. Al onze taka’s hebben we voor Lolita aan Willem gegeven. Geert koopt nog vlug een Bangla-shirt. De controle voor het vliegtuig is wel scherp ( schoenen uit ). Om 4 u 30 stappen we in de boeiing 777 van Britisch Airways. De Zweedse familie van Netracoma is er ook. We krijgen onmiddellijk te eten. Jammer dat ik niet aan een raampje zit om de Himalaya te kunnen zien. Even kan ik een glimp opvangen. Om 9 u zoek ik Sien op die helemaal achteraan aan stuurboord bij een raampje zit. Zo kan ik nog de prachtige Karakorum bewonderen met in de verte de K2. Prachtige landschappen in Pakistan en Afghanistan. Een les aardrijkskunde over erosie! Begrijpelijk dat de laatste succesvolle veroveraar Alexander de Grote was. Even slapen en ontwaken boven de Kaspische Zee. We vliegen  boven Baku en Grozny en scheren net boven de zee van Azov. Boven Warchau krijgen we weer te eten. Boven Nederland maakt iedereen zich klaar voor de landing. Een baby die bijna heel de reis gehuild heeft, begint nog harder de krijsen. De druppeltjes van Sien werken niet meer. Even over de Noordzee en dan wat cirkelen boven Londen. Een zachte landing. We moeten nog wat wachten voor onze aansluiting naar Brussel. Even wat boeken bekijken in de taxfree. Samen bekijken we de foto’s van Willem op zijn laptop en stellen vast dat het goed was.

Een klein vliegtuig brengt ons naar Brussel. We vinden vlot onze valiezen maar de fuik en manden van Geert zijn niet mee. Dat moet even administratief geregeld worden. Van alle reizigers ben ik de enige die door de douane aangesproken wordt. Als hij hoort dat we voor de DF leprozerijen bezocht hebben in Bangladesh bekoelt zijn werkijver meteen en mijn valies mag gesloten blijven. De schrik voor lepra zit er nog in. In de hall worden we opgewacht. Oma en Kaatje, Marie-Paule en Bieke staan er al. Bijna iedereen heeft wel een bekende die hem komt halen. En natuurlijk staat Gust op de eerste rij! We nemen vlug afscheid want Klaas en Pat zijn in aantocht met de minibus. Ik kan niet mee naar Gent want de auto van Luc staat nog bij ons in de garage en Marc en Marijke willen natuurlijk ook naar huis. Ik eigenlijk ook. Riet gaat mee naar Gent om onderweg nog wat te vertellen. Klaas rijdt want ik ben nog wat ‘links’ georiënteerd. Pat gaat mee met Kaatje.

In snel tempo rijden we naar huis en er wordt nog druk nagepraat. Hoe anders is ons land. Het eerste wat opvalt is het uitblijven van getoeter. Luc heeft haast. Hij komt met Gust mee, maar door parkeerproblemen zijn wij nog eerst thuis. Luc stuift weg naar Torhout. Direct naar het ziekenhuis en in het gips. Het was geen barst maar wel een breuk.

Riet is om 20 u thuis. We vallen in ons bed. Voor ons is het nu 2 u ’s nachts. Riet wordt wakker omdat ik luidop droom. Ik roep voortdurend :”Bult!”  

Riet en Lieven

januari 2007     FOTOALBUM: http://picasaweb.google.com/luc.descheemaeker