04/07  Luchthaven Bahrein 20u50

Mopje van Jonas: “Dag boek!” Duidelijk al een klein beetje moe! De eerste grote verscheidenheid van culturen hier in de luchthaven van Bahrein. Vrouwen in zwarte burka’s en felroze sportschoenen! J

Nu pas begin ik te beseffen dat we echt naar Bangladesh gaan. Bang ben ik niet meer, maar de spanning voor de allereerste confrontatie met Dhaka groeit… Straks checken we in voor de vlucht Bahrein-Dhaka. Nog enkele uurtjes, en dan…

 

 05/07 Marino’s guest house – Dhaka 19u

De eerste tocht door Dhaka… Amai. Zoveel starende ogen! Geleidelijk aan went dat wel. Maar ik kan helemaal niet tegen de bedelende kinderen, vrouwen met kleine kindjes, baby’s… Ik weet niet hoe ik erop moet reageren. Ik zou zo graag iets geven, één takka is helemaal niets voor ons, maar één iemand iets geven zorgt ervoor dat je gans Dhaka als bedelaar krijgt. Iedereen iets geven, gaat natuurlijk niet. Dhaka is immers even groot als Brussel, maar heeft wel zo’n 10 miljoen inwoners! Ik heb er echt ongelooflijk veel moeite mee. Hun ogen ontwijken, doen alsof je hen niet hoort, of verontschuldigend het hoofd schudden... Ik zal er wellicht nooit aan wennen.

De tocht per riksja was heel fijn. Ik kwam ogen tekort! En handen ook, om me stevig aan de riksja vast te klampen. Heel veilig is het toch niet. Hilde is er zelfs uitgevallen, gelukkig zonder al te veel pijn. Ik was toch geschrokken. Er zijn behoorlijk diepe putten in de wegen, en de straatjes zijn er zo overvol! Riksja’s, fietsen, riksjabrommers, auto’s, karren, en een massa mensen. Sommigen dragen gigantische pakken op hun hoofd. Pakken met kunststoffen of metalen potten, papier, graan… We moesten ons een paar keer bukken in onze riksja om zo’n pak te ontwijken. Dhaka lijkt wel een mierennest, dat wellicht nooit rust kent.

Onze riksja-driver, uitgekozen door Liesbet, was knap maar… ongemanierd. Hij maakte voortdurend vreemde geluiden, miauwde als een kat en riep met een hoge stem naar de andere mensen, voornamelijk mannen. (Er lopen heel weinig vrouwen op straat.) Luc zei dat de riksjadriver “last had van zijn hormonen.” Ik zou zo graag Bengaals verstaan, wat riep men over ons?

De meesten zijn heel vriendelijk en nieuwsgierig: “Country from?”… en “Kotee!” (=kom!)

Een bengaal vroeg of hij Liesbet en ik mocht fotograferen met zijn gsm. En dat moderne snufje tussen al de armoede… Dhaka is 1 groot contrast tussen zeer rijk en heel arm. Luxecars, bewaakte villa’s… overvolle bussen en riksja’s, sloppenwijken…

We bezochten ook de haven, Shadderghat. Schepen die bij ons goed zijn voor het stort, staan tegen de onstabiele kade, met ertussen de kleine, typisch Bengaalse bootjes. Verder zagen we ook Lalbach fort, waar een prinses begraven ligt. Ondertussen viel de regen met bakken uit de lucht – het was de eerste van de grote reeks regenvlagen die we nog op ons neer zouden krijgen. Het straatbeeld werd een gewriemel van paraplu’s. Maar iedereen deed verder. Velen wijzen naar ons fototoestel, willen dat je hen fotografeert. Ze poseren met plezier.! Dhaka… wat een stad!

 

 

07/07 ngo Sabalamby Netrakona 17u30

Gisteren was een heel fijne dag. ’s Morgens werd de werking van Damiaanactie uitgelegd: de ziekenhuizen, de veldhospitaaltjes, genezen patiënten die andere zieken zoeken en doorsturen naar DA, villagedoctors…

We moesten met de jeep naar Netrakona via de dodenweg. Ongelooflijk. In Bangladesh moet men normaal aan de linkerkant rijden, maar iedereen rijdt in het midden. Ook je tegenliggers. Aan grote snelheid rijden overvolle vrachtwagens met daarop een groep mensen. De vrachtwagens ontwijken je net op tijd.

Er was een ongeval gebeurd, niet zo lang voor wij langskwamen. Een vrachtwagen was van de weg getuimeld en lag ondersteboven in het water. Erin zat hoogstwaarschijnlijk nog de chauffeur. Hopelijk had deze vrachtwagen geen groepje bengalen op zijn dak zitten, want anders… De weg heeft zijn naam dus absoluut niet gestolen. Gelukkig rijden onze chauffeurs heel voorzichtig! Manik, de vaste driver van Damiaanactie Bangladesh, heeft een contract met DA dat hij niet sneller mag rijden dan 80 km/h. De ingehuurde chauffeur moest volgen.

De wegen waren op veel plaatsen erbarmelijk en werden met bijlen weggekapt. Men had een soort smeltovens langs de weg opgesteld en zo goot men meteen nieuwe, kokendhete asfalt op de weg. Mannen in bloot bovenlijf, bij de brandende stenen… Veiligheidsmaatregelen zoals in België kent men hier niet. Zo worden ook stellingen gezet met meerdere verdiepingen uit gesjorde bamboestokken. Hoe die stellingen overeind blijven staan en er zo weinig ongelukken mee gebeuren, het is me een raadsel.

Langs de weg naar Netrakona waren er meerdere markten met maar 1 product: Jakfruit, massa’s jakfruit! Die zie je overal aan de bomen groeien, zijn zo groot als dikke pompoenen en aan de buitenkant heel ruw. Binnenin zitten er verschillende gele, zoete, slijmerige vruchten met een pit. Heel apart van smaak, maar ik vond ze best lekker.

We stopten bij Baluka bridge en bezochten er een meisjesschool. Alle meisjes, in groen en wit uniform, stonden ons al op te wachten. (De bode had zijn werk al gedaan.) De meisjes, die eerst keurig naast elkaar stonden, sloten Luc, Liesbet en ik in, van zodra we dichterbij kwamen. Ze waren allemaal heel stil, en het geschuifel van hun voeten om rond ons te komen staan, is een geluid dat ik nooit zal vergeten. In enkele seconden tijd stonden we volledig omsingeld. Het was een vreemd gevoel, maar wel fantastisch. Ik kreeg het er koud van. Majna, één van de laatstejaarsleerlingen, een leuk en knap meisje, deed als eerste een stap naar voor en sprak ons aan in voorzichtig engels. Ze toonde ons één van de klaslokaaltjes: behoorlijk donker, een krijtbord en houten schoolbanken met eraan vastgemaakte zitjes, zoals wij vroeger gebruikten.

Majna was zot van mijn blonde haar. We liepen eventjes hand in hand, en na een uitgebreide fotosessie namen we afscheid. Met een bootje vaarden we naar de andere kant van de rivier. We hadden natuurlijk veel toeschouwers, die het grootste plezier hadden met ons gesukkel. Je evenwicht bewaren in zo’n bootje is een hele opgave. De bengalen hebben daar natuurlijk geen probleem mee. Zij zaten met velen heel rustig op de bootrand, terwijl wij met ons tienen de stabiliteit van het midden van het bootje zochten. En eruit stappen deden we langzaamaan, één voor één. Eenmaal veilig terug op de oever, begon het opnieuw te regenen. We konden schuilen in een huisje van een Bengaals gezin, en kregen er meteen een rondleiding. Ze waren redelijk welgesteld; hun huis was naar Bengaalse normen groot en men had een tv. Ik trok er een foto van onze gastheer en zijn zus. En ook van Sampa, een kleine meid waarmee ik een korte Bengaalse babbel had. Ik ben blij dat ik voor het vertrek wat Bengaalse woordjes geleerd heb. Zo zijn we vriendjes geworden, en ze liep met me mee tot aan de jeep, waar we haar trotse mama met pasgeboren kleintje ontmoetten. Baluka bridge was een heel fijne en vredige plaats. En te bedenken dat in dat dorpje daar, een tijdje geleden een grote moord gebeurde… Een bende plunderaars trokken regelmatig door het dorpje, en toen de inwoners wisten dat ze opnieuw zouden komen, zijn ze hen tegemoet gegaan, met alles wat ze maar konden gebruiken als wapen. Enkelen van de dieven konden ontsnappen, de overigen werden vermoord. De dorpelingen hadden het recht in eigen hadden genomen. De rust was nu teruggekeerd.

Regelmatig staat er trouwens in de krant een melding van een publieke moord. Als er iemand in de drukte roept: “Dat is een dief!”, dan zal de beschuldigde, al dan niet schuldig, het geweten hebben… Willem vertelde dat hij het ooit gezien had, dat een kind beschuldigd werd en de menigte erop begon te kloppen. Hij was naar voor gegaan en had de kwade mannen weerhouden om verder te slaan. Hij had de gestolen buit vergoed en de mannen gezegd dat slaan niet de juiste manier is. Het kind was er met enkele blauwe plekken vanaf gekomen. Je kon het kind het stelen niet kwalijk nemen, het had gewoon zoals zovelen honger… Een arme bengaal lijdt een constante struggle for life…

 

Na het bezoek aan Baluka bridge, terug onderweg naar Netrakona, begon ik me slecht te voelen. Ik zou de eerste immodiumpatiënte worden! L Misschien door de kleine, zoete banaantjes die Luc onderweg getrakteerd had, of door de rauwkost bij ons middagmaal, door de vele kinderhandjes, door de mongla’s die we aten in een eethuisje met fluogroene tafels en stoelen… Daar hadden we ook de keuken en bakkerij mogen zien, waar we heerlijke, verse, warme koekjes mochten proeven. Heel primitief, maar toch… die bengalen kunnen er wat van! In de auto waren Liesbet en ik niet te genieten. Liesbet haar blaas stond op springen en ook ik moest me ongeloolijk concentreren. Moeilijke opdracht, want Luc was voortdurend grapjes aan het maken: “Hou vol!”, “Straks krijgen we een dijkbreuk”… Ik was blij als we in het ziekenhuis aankwamen. Een Bengaalse wc heeft nog nooit zo’n deugd gedaan! Het ging gelukkig al gauw wat beter. Ik voelde me ontredderd, we waren nog maar 2 dagen in Bangladesh en ik had het al zitten! Ik mocht er niet aan denken om, als het niet beter zou worden, vroegtijdig terug te moeten keren, zoals Luc, die ziek geweest was op één van zijn vorige Bangladesh-reizen… Maar het was gelukkig een ontreddering van het moment, het ging al gauw weer beter. Vroeger zou ik gegeneerd geweest zijn om dit te vertellen, maar Bangladesh leert me dat niet te zijn. Bengalen zijn – zo noem ik het – heel lichamelijk. Wat wij vies vinden aan ons lichaam, vinden zij heel natuurlijk en normaal. En gelijk hebben ze. We zijn tenslotte allemaal mens.

Het eten was zeer lekker en ik stond versteld van mezelf dat ik zelfs kipbotjes kon afpeuzelen… Ik ben blij dat ik het vegetarisme achterwege liet. Hier moet je dankbaar opeten wat de mensen je met trots voorschotelen.

We keken naar wat André reeds gefilmd had, en gingen toen slapen. Liesbet en ik hebben nog lang nagepraat. Vanmorgen heel vroeg werd ik wakkergeschud door zeer hevige donder. De grond trilde. Zó hevig had ik de donder nog nooit meegemaakt… Het was dan ook een echte Bengaalse ‘thunderstorm’.

 

Na deze korte nacht begon vanmorgen de eerste werkdag. De kalk werd van de muren gekapt. Lastig, maar het ging vooruit! Omdat ik niet constant door kan werken door mijn arm (nog herstellende van een armbreuk), mocht ik van Luc als pauze foto’s nemen. Digitaal zo’n 100 foto’s (waarvan Luc er dan zo’n 90tal heeft verwijderd.) Logisch dat ik zoveel gefotografeerd had, Bengalen staan heel graag op de foto! Zelfs zeer zieke mensen draperen hun sluiers of gaan rechtzitten – hoe moeilijk dat ook gaat – om op de foto te staan. En als je één patiënt fotografeert, dan kan je de anderen niet weigeren… De patiënten konden zichzelf zien op het digitale toestel. Dat moest voor hen wel even schrikken zijn. Zo zien ze hoe ziek ze er eigenlijk wel uitzien. Maar hen zeggen dat ze niet mogen kijken op het schermpje, dat gaat natuurlijk niet. Ik deed dan ook heel enthousiast over de foto en zei hen dat hij heel mooi of heel goed was. ( Kup shundor! Kup balo! )

 

Ik heb heel veel lieve patiënten leren kennen, waarvan ik mijn best doe om de naam te onthouden, maar simpel is dat niet. Ik herinner me enkel Nadira (de wasvrouw), Nondon en de 4jarige Giovan (tbc), en Nila, de zus van een patiënt.

In de mannenzaal waren de patiënten in het algemeen veel minder ziek dan bij de vrouwen. Bangladesh is immers een mannenmaatschappij. De man is vrij om te doen wat hij wil, en stapt dus ook vlugger naar een dokter. Vrouwen moeten echter voor hun gezin blijven zorgen, of soms mogen ze van hun man niet op doktersconsultatie gaan. Enkel wanneer de toestand zeer ernstig wordt, komen ze bij een dokter terecht. Heel vaak is de ziekte dan al te ver gevorderd en ongeneeslijk, of zijn er zware letsels.

De tb-patiënten hebben meestal een ernstig ondergewicht. Ingevallen wangen, diepe oogkassen, uitstekende schouderblaren, ribben en heupen, ongelooflijk dunne armen en benen… Nog nooit heb ik zo’n magere, fragiele en broze mensen gezien. Het raakte me diep. Zo leerde ik een zeer lieve tb-patiënte kennen die ik waarschijnlijk kon dragen met één arm. Ze had nog een lange behandeling voor de boeg. Het was een hele geruststelling dat ze hier in het damiaanziekenhuis in Netrakona in goede handen was. Net zoals alle andere zieken…

Ik vroeg een heel oude patiënte hoe het met haar was, waarop haar zus of dochter begon te vertellen. De dokters zeiden dat de vrouw me vroeg te bidden voor genezing. Ik heb het beloofd. Terug in België zal ik symbolisch een kaarsje branden.

 

Na het werk gingen we terug naar de NGO per riksja. Onze riksjadriver van deze morgen, Rubel (ik schat zo’n 14 à 15jaar), zou ons opnieuw komen ophalen. Hij reed ons terug… maar niet zonder risico! We reden door een nauw straatje en een massa mensen deden wild teken aan de kant te gaan. Dat kon Rubel niet, er stonden reeds riksja’s links van hem aan de kant. Op dat moment reed er een Bengaalse brandweerwagen in volle vaart de hoek om, het straatje in. De pompiers konden nog net op tijd remmen en ze scholden Rubel de huid vol. Ondertussen was ik, van zodra ik de brandweerwagen had zien afkomen, uit de riksja gesprongen, in een diepe plas. Maar dat kon me niks schelen. Ik ben nog nooit zó snel uit een voertuig gesprongen, zelfs niet gisteren toen ik zo hoognodig moest! De toeschouwers hadden natuurlijk het grootste plezier van de wereld, nu ze die twee blanke meisjes een duikvlucht uit de riksja hadden zien nemen…

kHeb Rubel dan maar een schouderklopje gegeven. Die jongen kon er niks aan doen, maar werd nu wel door velen uitgescholden... We zijn er gelukkig enkel met de schrik vanaf gekomen. Waren we een meter verder, dan had het misschien fataal kunnen zijn. We zijn veilig thuisgeraakt en we hopen Rubel morgen terug te zien. Straks gaan we slapen, hopelijk mét de ventilator aan, want de elektriciteit valt hier zeer regelmatig uit. Dan is het maar best dat je niet op het Bengaals toilet zit ofzo!

Een gekko zit nu op de muur en er fladderen motten, vliegjes en muggen rond de lamp. Het was me weer eens een dagje Bangladesh!

 

08/07 ziekenhuis Damiaanactie Netrakona 10u

Terwijl de anderen al aan het werk zijn, zit ik op het balkon. Vanmorgen is mijn ontbijt me helemaal niet bevallen. Ik moet echt aanpassen aan de voeding, maar dat moet iedereen.

Het gaat nu reeds beter, maar ik mag nog niet werken. De directeur van het ziekenhuis, Subash, werkt in mijn plaats mee. Hij grapte dat het wel enkel voor vandaag was… Ik vind het echt sympathiek dat Subash zich als directeur niet te goed voelt om mee te werken. Ik betwijfel of een Belgische directeur hetzelfde zou doen… Ondertussen is voor mij drinken en voorzichtig eten de boodschap! En rusten, ik ben nu eventjes zélf “patiënte” geworden in het Damiaanhospitaal!

 

 

08/07 ngo Sabalamby Netrakona 19u30

Gelukkig, ik ben weer zo goed als de oude! Toen iedereen ophield met werken – het gaat zeer goed vooruit – zijn we weer per riksja teruggekeerd. Onze riksjadriver was natuurlijk weer Rubel! Hij had zijn haar in kapsel gebracht met gel. Grappig! Ik vroeg hem hoe oud hij is (boiosh koto?), maar hij gaf ons een hele uitleg die wij niet snapten en hij leek nogal verlegen. (Nadien lachte hij beschaamd met zijn roze tongetje tussen zijn tanden.) Ik vermoed dat hij gewoon niet weet hoe oud hij is. De meeste bengalen zijn immers niet geregistreerd en weten hun geboortedatum niet. Het bevolkingsaantal dat Bangladesh officieel opgeeft, klopt dus allerminst.

 

Onderweg stopten we bij een chinees restaurantje Susang. Het is 1 van de weinige plaatsen waar je nog – stiekem – alcohol kunt krijgen. De regering heeft immers de alcoholhoudende dranken verboden, maar de restauranthouder heeft nog een grote voorraad blikjes bier. Daarom heeft hij over het alcoholgehalte op het blikje een stickertje gehangen met ‘alcoholfree’. De sloeber!

Na het restaurantbezoekje zijn we te voet verder gegaan. We bleven even kijken naar een voetbalmatch: de truitjes tegen de blote bovenlijven. Op een veld dat eens groen geweest was, maar nu een heuse modderpoel werd. Naast de voetbalpoel waren er enkele mannen in een kamertje muziek aan het maken: percussie, een soort gitaar, een tamboerijn en een piano-achtig instrument met blaasbalg (systeem accordeon). In blote voeten mocht ik erbij komen zitten om te luisteren. Eerst zong de man met het blaasbalginstrument, daarna zong een jongetje van ongeveer 6à8 jaar. Het was zo ontroerend, ik kreeg het er helemaal koud van. Een moment om in te kaderen en nooit meer te vergeten!

 

 

10/07 ngo Sabalamby Netrakona

Gisterenmorgen: powerpointpresentatie van Willem: info over Bangladesh in het algemeen en Damiaanactie in Bangladesh.

Gisterennamiddag: wandeling door Netrakona: markten, winkelkraampjes en drukke straatjes. We zijn teruggegaan met de riksja (met onbekende riksjadrivers) naar het Susang chinees restaurant voor het avondmaal. Per riksja terug naar Sabalamby.

 

Vandaag werd de dag georganiseerd door Sabalamby, de ngo waarbij we logeren. In de voormiddag bezochten we een schooltje met 9jarige kindjes. (Roydum Ruhi Non-Formal Primary school) Het klasje was gemengd en bestond uit 28 leerlingen. Ze zaten allemaal op de grond, op tapijt en jute, in een grote rechthoek. Voor hen lagen hun boekjes, en een lei en griffel. Ze leerden er lezen en schrijven. Samen met hun juf hadden ze gedichtjes, liedjes en dansjes voorbereid. Ik leerde ook een Bengaalse letter schrijven, maar hem uitspreken was te moeilijk!

In een ander schooltje (Adolescent reflect circle) zaten er enkel meisjes rond de 14 jaar. Zij leerden in welke maand welke ziektes primeren, wat je eraan kunt doen, enz…

In een klein dorpje legde een vrouw van Sabalamby uit aan de plaatselijke vrouwen hoe je handicaps bij baby’s kunt opsporen, welke voorbehoedsmiddelen er zijn en hoe je ze gebruikt. Normaal zaten alle vrouwen voor die educatie buiten, maar door opnieuw hevige regenbuien, zaten ze allen opeengepakt onder een afdak. Ons bezoekje was eigenlijk niet zo goed, want de lesgeefster bleef verdergaan met haar uitleg, terwijl de meeste vrouwen hun aandacht op ons hadden gevestigd. Maar de “juf” zal de leerstof nog wel eens hernemen, althans dat hoop ik toch.

 

’s Namiddags zagen we hoe fysio- en ergotherapie wordt aangeleerd aan vrouwen om toe te passen bij hun gehandicapte kindjes. Men werkt er aan een mentaliteitsverandering tegenover handicaps: meer respect, zorg en liefde. Meestal worden kindjes met een handicap aan hun lot overgelaten, sterven ze, moeten ze bedelen, worden ze door iedereen mishandeld. In Netrakona zien we regelmatig een jong meisje op een karretje, een plank op wieltjes. Haar beentjes zijn waarschijnlijk lam, of te krom om op te lopen. Ze draagt slippers aan haar handen en sleept zich dus op haar handjes voort. Voor de meeste bengalen is het dagelijkse leven echt een struggle for life, een krampachtig gespartel tegen het verdrinken in de mensenzee en armoede. Mensen met een mentale en/of lichamelijke achterstand worden dus meestal aan hun lot overgelaten; men heeft het te druk met werken om te overleven… Deze “zwakken” kunnen niet helpen bij het verdienen van de kost, en de omgeving is hen dus liever kwijt dan rijk…

De mentaliteitsverandering die SUS (Sabalamby Unnayan Samity) dus teweegbrengt vind ik enorm positief. Wie weet kan ik (als toekomstige ergotherapeut) ooit bij hen stage doen…

 

We zagen ook de SUS-boerderij, en de SUS-ateliers, waar meisjes leren batiken, borduren, naaien en riet weven, om zo later zelfstandig een winkeltje te kunnen starten.

 

Maar ik was toch het meest onder de indruk van het vluchthuis of shelter van Sabalamby. Daar wonen nu 10 vrouwen tussen de 14 en 25(?) jaar. Er is er eentje jonger, namelijk Sjondona (12jaar). Ik had Sjondona al eerder ontmoet in de ateliers van SUS, waar ze leert borduren. Ze lacht altijd en haar ogen stralen zo, dat je meteen aan haar verkocht bent. Ik schrok dat ik haar terugzag in het vluchthuis. Ze is amper 12, maar heeft al ongelooflijk veel meegemaakt. Haar vader was getrouwd met 7 vrouwen. Sjondona heeft dus veel stiefbroers – en zusjes. Toen haar moeder weg was (gestorven?), heeft één van haar stiefbroers haar misbruikt. De vader stond achter zijn zoon. Sjondona kon dus niet blijven, en is gevlucht naar Sabalamby. Achter die mooie ogen en lieve lach, zit dus een schrijnend verhaal. Ik kreeg het er echt koud van. Zij is zeker iemand die ik nooit zal vergeten, en die ik altijd zal blijven bewonderen om haar levenslust.

 

12/07 ngo Sabalamby

 

11/07: Luc en ik stonden gisteren vroeger op dan de anderen om een dauwtrip te maken. Het dorp begon net te ontwaken en enkelen waren al druk in de weer. Zo ook enkele vissers. Van op een brug keken we naar de rivier, die net als in een oerwoud zich een weg baande tussen een geweldige vegetatie. In het water stonden gesjorde constructies met visnetten aan een hefboom. Het was een wondermooi uitzicht. Ik ben blij dat Luc me de kans geeft om zoiets extra’s mee te maken.

Verder was het opnieuw een werkdag. De hele dag kapte ik aan de vloer. Het begint al beroepsmisvorming te veroorzaken: overal waar ik barsten of stukken uit de vloer zie, denk ik aan het feit dat je het waarschijnlijk goed kunt afkappen… ’s Avonds hebben we met de ganse groep een gezellige – soms luide – zangstonde gehouden. Het was een fijne dag.

 

Ook vandaag, 12 juli, was een werkdag. Maar toch weer eentje met iets extra’s! Toen we met de riksja aankwamen bij het ziekenhuis, werden we meteen uitgenodigd bij de familie van onze driver Rubel, die toevallig vlak naast het ziekenhuis woont. Hun vier huisjes met strooien daken en een binnenpleintje staan midden in de rijstvelden. Ze zijn op een dikke pak klei gebouwd, zodat ze een stuk hoger komen dan het normale waterniveau. Het was primitief, maar heel netjes en eigenlijk ook heel gezellig. Ze wonen er met de hele familie; de ouders van Rubel, zijn broertjes en zusjes, grootouders, neefjes en nichtjes, ooms en tantes…

Overal liepen er kleine kindjes joelend rond. Er heerste een gezellige drukte. We moesten in elk huisje eens binnen en werden steeds weer op het bed geduwd. Ze boden ons rijst en water aan, die we weigerden omwille van eventuele darmproblemen als gevolg. Ze openden speciaal voor ons een doos koekjes. Die waren niet zo lekker, maar het idee alleen al dat deze arme mensen zoveel aan ons wilden geven, zo gastvrij waren, maakten ze eigenlijk overheerlijk. We gaven een deel van de koekjes aan de kleine kindjes, maar dat vonden de vrouwen niet zo goed. Wíj moesten ze opeten, niet hun kindjes! Liesbet, die ze totaal niet lekker vond en ze bijna allemaal uitgedeeld had, werd haar laatste koekje door één van de vrouwen werkelijk in haar mond gepropt. Daar zaten Liesbet, Jonas en ik, op een bed in één van hun huisjes, omringd door bijna alle vrouwen en kindjes uit de familie.

We probeerden wat te praten, maar met het weinige dat we konden, geraakten we niet ver. Maar telkens we iets probeerden te zeggen, en we zagen elkaars gezicht van onbegrip, schoot iedereen in de lach. Het was een vrolijk gedoe. Achter ons, op het bed, lag een kindje van nog geen jaar oud. Het sliep, ondanks de drukte, ongestoord vredig verder. Een peuter was bang van ons, en telkens we hem aankeken, kroop hij dieper weg in de armen van zijn moeder. Iedereen lachte om zijn angst. Ik kan me wel voorstellen dat we voor die kleine kindjes er moeten uitzien als spoken. Bengalen zijn trouwens heel bijgelovig: praat absoluut niet over spoken, want dan hebben ze er echt eentje gezien! (spook = boot [boet] )

Tijdens ons bezoekje was Rubel voortdurend bezig met een vogeltje die ze getemd hadden. Als het vogeltje niet op zijn vingers zat, stopte hij het terug in een knap met riet gevlochten kooitje.

Ik hou van de familie van Rubel; ze zijn zo hartelijk en warm! Ondanks hun armoede zouden ze je alles geven wat je nodig hebt. Onvergetelijk! We konden moeilijk weg om terug aan het werk te gaan. Telkens we opstonden van het bed om terug te gaan naar het hospitaal, werden we tegengehouden of bij de arm een ander huisje binnengetrokken. Uiteindelijk konden we toch duidelijk maken dat we moesten werken… Abar dhàkka hobe! (=Tot ziens!)

 

De rest van de morgen kapten we weer de vloer uit. De Bengaalse werkmannen kwamen met een hele bende rond Liesbet en mij staan. Ze vonden het blijkbaar heel fijn om te kijken naar ons: hard werkende, blanke meisjes. We probeerden duidelijk te maken dat we hun gestaar niet echt appreciëren tijdens het werk, maar ze begrepen ons niet. De verpleger Attik en fysiotherapeut Tipu zijn hen dan komen zeggen dat ze ons wat meer met rust moeten laten. De werkmannen leken eerst heel erg verontwaardigd en boos. Nu die twee jonge meisjes hen weggestuurd hadden, voelden ze zich gekrenkt in hun mannelijkheid. Bengaalse mannen zijn zo trots… Liesbet en ik vonden hun ontevredenheid helemaal niet fijn, en telkens als er iemand voorbijkwam zeiden we vriendelijk goeiedag op de Bengaalse manier (hoofd naar rechts), en als ze een liedje floten, floten we mee. Dat vonden ze best grappig, en hun ontevredenheid was heel snel over. Gelukkig!

Eén van de werkmannen, Solomai (die met beschermingsbril op ons doet denken aan Steve Urkel, maar zonder bril best knap is), fluit heel vaak. Het grappige is dat het Bengaalse liedjes zijn: met de nodige kronkels en versieringen. Zó fluiten kunnen wij niet!

Enfin, alle werkmannen – onze collega’s – zijn echt super! Ook al zijn ze af en toe echte macho’s, ze zijn stuk voor stuk heel aangenaam om mee samen te werken!

’s Namiddags kapten we de vloer verder uit al zingend. Succes! Niet alleen onze collega’s vonden het fijn, ook voor ons ging het werk vlugger vooruit. We leerden van de conciërge van Sabalamby “We shall overcome” zingen in het Bengaals (Amra korbo joy). Dat vonden de bengalen heel leuk. Ook alle kinderliedjes zijn de revue gepasseerd, en de verpleegster Hasna kon na een tijdje al een klein beetje het “banana-liedje” meezingen. Lastig werk doen, is nog nooit zo fijn geweest!

 

Vanavond bracht Rubel ons terug naar Sus. Hij had een nieuw hemdje en longi aan, en zijn haar lag netjes gekamd in de plooi. Waarschijnlijk moest hij dat doen van zijn moeder Rabya. Hij was zo totaal niet meer hetzelfde jongetje van bij de allereerste ontmoeting. Toen regende het, en hij had een kanariepietjesgele regenponcho aan. Het kapje was tot net boven zijn ogen en achter zijn oren getrokken. Je kon enkel nog zijn gezichtje en zijn uitstekende oortjes zijen. Het was echt schattig. Nu was hij zo netjes gekleed en bijna onherkenbaar.

Aangekomen bij Sus werden we weer omsingeld door een bende Bengalen. Voor we nog een wandeling gingen maken, richtten Liesbet en ik ons naar Rubel om hem ‘Tot ziens’ (abar dàkkha hobe) te wensen. Hij glunderde tussen al die macho-bengalen.

Op ons tochtje gingen we weer even naar de brug, en Liesbet en ik wilden de meisjes van het vluchthuis nog eens begroeten. Vooral Sjondona wilden we terugzien. Haar gezichtje is zo goddelijk! Maar we waren ook blij de anderen (Jettie, Mala, Beauty…) terug te zien.

De zon is er vanavond eindelijk nog eens doorgekomen, en ook het waterpeil is opnieuw aan het zakken (terwijl men in het Belgische nieuws overstromingen in het noorden van Bangladesh meldt…).

Het is nu bijna 21u en de hemel is helemaal opengetrokken. Hier is er geen lichtpollutie, dus kunnen we genieten van een ongelooflijk sterrengordijn… Adembenemend!

 

13/07 Sabalamby (Sus) 18u45: werkdag

Deze voormiddag bestond ons werk opnieuw uit vloer kappen. Als pauze bezochten we eventjes het schooltje naast het ziekenhuis. Het was een oud gebouw, zwartgeblakerd van een brand. Er zat geen glas in de vensters en de klaslokaaltjes stonden vol oude banken. Alle leerlingen droegen een blauw uniform. Telkens iemand een foto trok, barste er een gejuich los. Ze vonden Luc’s fototoestel enorm boeiend, en drumden om ook maar even op het schermpje te kijken.

 

Deze namiddag was ongelooflijk interessant. We kregen de kans om een operatie mee te maken! Een 75-jarige man met lepra had een grote zweer aan de onderkant van zijn voet. De zweer werd uitgesneden en enkele pezen en teenkootjes werden verwijderd. Toen men eraan begon, had de man nog niks van verdovingsmiddel gekregen, enkel een kalmeringspil. De zenuwen van zijn voet waren door de lepra immers aangetast, dus zou hij geen pijn in zijn voet mogen voelen. Toch kreunde hij voortdurend, en ondanks de kalmeringspil leek hij allesbehalve rustig. Hoewel de artsen overtuigd waren van de gevoelloosheid in zijn voet, dienden ze toch wat verdovingsmiddel toe, en kreeg hij een extra kalmeringsspuit in zijn glucosebaxter. Toen ging het beter.

Zijn been werd afgebonden en in de lucht gelegd, zodat er minder bloedverlies was. Eerst hield de verpleegster Hasna zijn hand tegen ( anders bewoog hij zijn arm en kon de baxter uit zijn dunne aderen schieten ), maar dat werkje heb ik met heel veel plezier overgenomen. Ik voelde me er goed bij, zo kon ik tenminste iets doen voor de man en kon ik hem ook gerust stellen door met mijn andere hand zijn voorhoofd te strelen. Zowel hij als ik werden er rustiger van. Ik had echt met hem te doen.

Nu moet je weten dat we met 5 in de operatiezaal mochten komen kijken, met onze vuile werkkleren aan en met vuile handen. (Allé, ik had ze gewassen.) De voet werd ontsmet en de instrumenten ook, maar de rest was allesbehalve steriel! Het kamertje naast de operatiezaal had geen deur die hen scheidt, en dat kamertje was net afgekapt en lag nog onder een dikke pak stof. De tafel waarop de man lag was hard, en om de man toch een beetje zachter te leggen, haalde men een stoffig kussen uit een nabije kamer. Wat een verschil met onze toch wel overdreven steriele operatiekamers!

De man werd voor de derde keer geopereerd. Normaal is dat niet nodig, maar hij is helemaal alleen en verzorgt zichzelf niet zo goed. Daarom heeft hij telkens nieuwe zweren op zijn voet. Nu heeft hij wel een achterkleinzoon die zeer af en toe op bezoek komt. Omdat hij zou terugkomen heeft de fysiotherapeut Tipu het horloge van de kleinzoon bijgehouden. Op het moment dat dokter Paul dit vertelde (de man zijn voet dichtnaaiend) ging de deur van de operatiekamer open (ja, iedereen kan zo binnen en buiten) en… wie kwam er door een kiertje piepen? Warempel, de kleinzoon!

 

Vandaag kreeg ik van de lieve verpleegster Hasna 2 armbandjes in wat zij noemen citygold. Ik ben er heel blij mee. Jammer dat we elkaar niet zo goed verstaan. kZou zo ontzettend graag beter Bengaals kunnen spreken! Hasna wou vandaag ook mijn voet helemaal in verband steken, en dat omdat ik met de achterkant van mijn bijl een wondje in mijn kleine teen heb gekapt. Een plakkertje was genoeg hoor, lieve Hasna!

 

 

14/07 Sus 18u

Werkdag! En voor de verandering… de vloer afkappen. Weer enkele blaren bij en enkele meters verder. Vanavond zijn we al om half vier uit het ziekenhuis vertrokken, een uur vroeger dan normaal. Liesbet en ik wilden naar de Sus-shop, die ze speciaal voor ons langer zouden openhouden. We gaven riksjadriver Rubel zijn verdiende takka’s en een T-shirt. Hij keek nogal vreemd en omdat Liesbet en ik niet wisten wat we moesten zeggen of doen, zijn we naar binnen gevlucht. Liesbet heeft nog gezien dat hij ons achternakwam, maar blijkbaar durfde hij het gebouw niet binnen. We zijn nu wel wat ongerust… Hoe zal hij morgen reageren? Kwam hij ons achterna om het T-shirt terug te geven? Om dankjewel te zeggen? Waarom?

15/07 Sus 20u

Vanmorgen werd ik met één gedachte wakker: hoe zou Rubel reageren? Liesbet was al wakker en zat te praten tegen een kat, die ’s nachts onze kamer was binnengeslopen en zich verscholen had onder mijn bed. Toen ik mijn hoofd onder bed stak en luid “hallo” riep, liep die kat zo vlug mogelijk weg… Ik had beter Nomashkar of Assalamualaikum gezegd natuurlijk…

Enfin, de reactie van Rubel dus… Liesbet en ik keken heel nieuwsgierig over de rand van het balkon wanneer hij kwam aangereden. En wat had hij aan? Onze T-shirt! Hij lachte bijna voortdurend en voor het eerst zei hij ook echt iets tegen ons. Wat een opluchting!

 

Vandaag hebben we weer de hele dag gewerkt. Dit keer geen kappen, maar afschuren en schilderen.

Giovan, een vierjarig tb-patiëntje, was vandaag veel zieker dan anders. Hij moest voortdurend piepend naar adem happen en voelde koortswarm aan. De fysiotherapeut Attik vertelde dat de moeder van Giovan eigenlijk niet zo goed voor hem zorgt, en dat het jongetje heel vaak kou vat. Daardoor gaat het van kwaad naar erger.

Zijn mama vroeg ons, zoals zoveel andere patiënten, om te bidden voor genezing.

Ik kreeg van Nila (zus van een patiënt) twee zilveren armbandjes. De vrijgevigheid en hartelijkheid van de bengalen ontroert me telkens weer opnieuw.

Vandaag kregen we ook terug een flink staaltje machogedrag… Een jongeman zit al enkele dagen aan de ingang van het ziekenhuis. Hij wou deze namiddag persé met me op de foto. Toen we wat later uit het hospitaal vertrokken, zei hij: she’s so excellent. Macho! En van macho’s gesproken… Mamoon, die secretariaatswerk doet voor het hospitaal, heeft ons uitgenodigd in het Susang restaurant om te trakteren voor de verjaardag van Jonas. Ook hij staat op de foto met zijn moto. Ik ken niemand die meer macho is dan hij. Hij is het summum!

 

 

16/07 Sus

Gisteravond zijn we eerst gaan shoppen. Gelukkig hadden we een regenjas mee, want het werd een regelrechte douche! Onze vaste riksjadrivers zouden ons normaal weer komen ophalen op afgesproken uur en plaats, maar ze waren er niet. Waarschijnlijk door de hevige regen. We namen dan maar andere riksja’s. Ik hoop dat de onze niet daarna zijn toegekomen en voor niets in de regen reden…

In het Susang zaten macho Mamoon en een vriend van hem ons op te wachten. Ze hadden een verjaardagstaart laten maken voor Jonas, met 25 kaarsjes op. Macho trakteerde met zoveel bier als we wilden (die ik niet dronk) en met frieten. Hij zat de hele tijd over zichzelf op te scheppen. Dat hij zoveel vrienden had, en dat niets te duur was als het om zijn vrienden ging. Hij wist duidelijk niet dat vriendschap niet te koop is. Ik vond het echt decadent hoe hij met zijn rijkdom omsprong, en ik voelde me er helemaal niet goed bij. Het was zo’n immens  contrast met de gewone, arme inwoner van Netrakona. Ik was doodop en was zijn Hollywood-allures meer dan beu. Lang zijn we gelukkig niet gebleven.

 

Vanmorgen ontdekte ik dat mijn schoenen, die ik onder mijn bed gezet had omdat ik in deze warmte toch liever mijn sandalen draag, zowel aan de binnen- als de buitenkant onder een dikke laag groene schimmel zaten. Ook dit is Bangladesh… De vochtigheidsgraad is hier zo hoog dat alles wak aanvoelt en beschimmelt. Ik heb hier niets tekort en mis maar één iets uit België, en dat is een bed met droge lakens en kussens. Al was het maar voor eventjes, gewoon om terug een idee te hebben van iets lekker droog, zonder de geur van schimmel…

 

Ik ben ongelooflijk blij dat we hier nóg twee weken blijven, maar ook verdrietig dat het eigenlijk maar twee weken meer zijn… dat we afscheid zullen moeten nemen van al wie ons nu zo vertrouwd wordt.

Ik heb wel heel vaak nood aan het wat op zichzelf komen. Gisteren bijvoorbeeld, bij de verkwisting van Mamoon. Soms zijn de contrasten zo groot dat ik er echt moeite mee heb om het te verwerken. Subhash, de directeur van het Damiaanziekenhuis in Netrakona en Rasjahi, zei me gisteren dat ik veel sterker zal zijn als we terugkomen in België. Hij zal wel gelijk hebben, maar op dit ogenblik komt alles zo snel op me af dat ik me zo machteloos voel. Toch primeert het gevoel dat ik het hier zal missen. Al de vriendschappen, de hartelijkheid en warme persoonlijkheden, de vreugde… Ik zal het hard missen in ons toch wel koud en individualistisch belgenland…

 

17/07 Sus 9u

Gisteren bezochten we een Mandidorp. Toen we vertrokken zag het weer er goed uit, en daarom kropen Liesbet en ik achteraan in de bak van de pick-up. Dat is veel leuker dan in de auto zitten en door een raampje te turen. Rechtstaand in de pick-up-bak heb je een ongelooflijk mooi zicht. Ik vind het er altijd heerlijk. Gisteren ook, tot stortvlagen en hevige wind roet in het eten gooiden. Tot overmaat van ramp hadden we ook nog eens platte band. De jeep, waar wij normaal nog bij konden, was doorgereden. Daar stonden we dan, nat en omringd door toeschouwers. De jeep stond een heel eind verder op ons te wachten. Liesbet en ik reden er per riksja naartoe. De driver was helemaal doorweekt. Uiteindelijk was de band van de pick-up hersteld, en konden wij in de jeep doorrijden naar het mandidorp. We werden er zeer warm onthaald. Ze gaven ons rijstwijn en koekjes, rijst met curry en eend, die we -zoals het echt moet op z’n bengaals – met de handen opaten. De mandi’s hadden ook dansjes voorbereid om elementen uit hun cultuur voor te stellen: het zaaien en oogsten van de rijst, de jacht... Na hun optredens vroegen ze of ook wij een dansje wilden doen. Samen met Choi, Libi, Hemma en de andere mandikindjes deden we “Dag mn rozemarijntje” en de plopdans. Die kenden ze nog van toen de fietskampers van december 2003 het dorp bezochten. Het was, ondanks het constante stortbad, een heel fijn bezoek.

17/7

Vandaag op zoek naar Lucpoint, een snijpunt van 2 meridianen die we zouden registreren op een daarvoor bestemde site… Normaal lag dit punt op een met de auto te bereiken plek. Maar door de zware regenval de laatste weken moesten we overstappen op een boot om het overstroomde lucpunt te bereiken. Een volle boot werd aangemeerd en alle bengalen moesten plaats maken voor ons. Ik begreep het niet. Die mensen moesten toch geen plaats maken voor ons, ik wou gerust wachten op een lege boot! Maar de bootbestuurders wilden ons vervoeren in plaats van de armen, want die blanken zouden hen wel veel meer betalen… Het was één van de vele druppels die later deze dag de emmer zouden doen overlopen.

We zaten 7 uur lang op de boot en stonden door hevige storm een half uur aangemeerd bij een ontvlucht dorpje dat nu als een eilandje boven het water uitstak. De jongste van onze “crew”, ik schat zo’n 14jaar, moest constant met een opengesneden fles de boot hozen. Er sijpelde voortdurend water door de doorroestte wanden van het bootje.

De bemanning stopte bij een ontzettend druk havendorp om benzine te halen. Er was geen vrouw te bespeuren. Liesbet, Gaynor, Stephanie en ik waren meegegaan met één van de bootmannen. Hij zou ons een toilet tonen, maar al heel vlug werd duidelijk dat hij onze vraag niet begrepen had en enkel benzine zocht. We werden door een massa mannen omsingeld. Daar staan, vier blanke meisjes, tussen al die starende mannen die nog nooit een blanke gezien hadden, was erg beangstigend. Een man voelde zich geroepen om ons te beschermen en duwde ons publiek kwaad van ons weg als ze wat té dicht kwamen. De bootman was verdwenen in de massa, en we zochten ons een weg naar het enige gebouw in het havendorp: een politiekantoor. Daar liet een vriendelijke bewaker (een strengkijkende, bewapende man) ons binnen om naar het toilet te gaan.

Langs de kade stonden honderden mannen te drummen om het bootje te zien waarop de blanken zaten. Ze bleven zwaaien tot we uit het zicht waren. We vaarden over bomen en rijstvelden, langs ineengezakte huisjes. Het werd me allemaal even teveel. De armoede, (water)ellende… Mijn machteloosheid… Het ridicule karakter van het zoeken naar Lucpoint- een virtueel punt midden in het water… Ik schaamde me tegenover de bootbestuurders: we betaalden hen in hun ogen zoveel om wat rond te varen tot op een punt waar de groep voor applaudisseerde, maar waar er niets te zien was… Ik voelde me beschaamd om mijn rijkdom. En ik weet, we hebben door die boottocht opnieuw vanalles meegemaakt, maar toch… Het nam mijn slechte gevoel over lucpoint niet weg.

Gelukkig was er de 22jarige Mustafa, de kapitein van het bootje. Hij kwam telkens naast me zitten, en schreef zijn naam op zn hand en toonde het, zodat ik zeker zou weten wat zijn naam was. Toen moest ik mijn naam op zijn hand schrijven, waarna hij een hartje rond beide namen tekende. We lachten erom. Toen kwam Willem naar ons toe en Liesbet vertelde hem wat op Mustafa’s hand stond. Dat had hij blijkbaar begrepen en hij begon hard over zijn handpalm te wrijven, zodat zijn liefdesverklaring onleesbaar werd. Die lieve Mustafa vreesde nu waarschijnlijk dat “mijn papa” hem een bolwassing zou geven…

Toen ik met gewetenswroeging worstelde en piekerde, keek hij me stilletjes aan. Hij begreep mijn verdriet niet.

Ik heb zijn adres gekregen en ik zal zeker nog eens schrijven. Een dorpsgenoot die wel engels kan, zal het dan wel voor hem vertalen…

18/07 Sus 19u30

Vandaag schuurde ik wat vensters en de deur van een wc-hok af. Ik had er gezelschap van een grote kakkerlak en een nest rosse mieren. Naast het ziekenhuis was er een voetbalmatch aan de gang, opnieuw de truitjes tegen de blote bovenlijven. Net als de vorige voetbalmatch die we zagen in het dorp zelf, speelden ze hier in een modderpoel. We supporterden samen met enkele patiënten van bovenop het dak van het hospitaal.

We maakten ook een praatje met mister Rafik, een Damiaan-medewerker. Hij vertelde ons dat als je in Bangladesh je duim omhoog steekt naar iemand, je eigenlijk wil duidelijk maken dat je kwaad bent op die bepaalde persoon. Aiai, en wij maar onze duim omhoog steken als we wilden zeggen dat het goed was! Hij stelde ons gerust: de bengalen zouden wel begrijpen dat wij de universele betekenis bedoelen. Gelukkig.

 

Rubel is even komen kijken in het ziekenhuis terwijl we aan het praten waren met mister Rafik. Ik was net aan het uitleggen dat Liesbet en ik geen zussen waren, en toen stelde ik Rafik Rubel voor als “amar bundu”. Rubel lachte. Alleen al voor zijn verlegen lachje zeg je zoiets.

Elke avond na het werk voelen we ons allemaal heel erg vies, en doet een koude douche (warm water is er toch niet) heel erg deugd. Vandaag toen ik stond te douchen, draaide ik me om en keek bijna oog in oog met… een dikke spin met de grootte van mijn hand! Alle insecten zijn hier veel groter dan thuis. Bidsprinkhanen bijvoorbeeld zijn zo’n 10cm groot. Ze zijn echte carnivoren, nemen hun nog levende prooien in hun poten en bijten er stukjes van. Soms draaien ze hun kopje in je richting en lijken ze je echt aan te kijken.

Na de douche wou ik mijn sari rond me draperen, maar dat is niet gemakkelijk. Enkele vrouwen van Sabalamby toonden me met plezier hoe het moest. Ze begonnen zelfs te discussiëren, en mijn sari moest aan, uit, aan, uit… Elke vrouw doet het op een iets andere manier. Uiteindelijk waren ze het eens met elkaar dat mijn sari goed zat. De vrouwen wilden dat Liesbet (die ook haar sari aan had) en ik met hen dansten in het zaaltje waar die dag een bijeenkomst was. Enkele mannen speelden speciaal voor ons percussie en piano. We voelden ons wat gegeneerd om enkel met ons tweetjes te dansen voor al die toeschouwers. Het Bengaalse ritmegevoel is helemaal anders dan het onze, maar met de percussie erbij ging het gelukkig wel. De anderen van onze groep hadden al gegeten, en we probeerden duidelijk te maken dat ook wij gingen eten. Dat vonden de vrouwen wel goed, want terwijl ze mn sari aanhielpen, voelden ze aan mn buik en deden teken dat ik meer moest eten. Hun buik was immers veel ronder en daar waren ze trots op. Ook de vrouwen in het hospitaal trokken al enkele keren mijn T-shirt omhoog om mn buik te zien. Ze waren ontzet dat ik mager was.

Wat een omgekeerde wereld! Alsof ik te weinig voedsel krijg! Ik heb nota bene meer eten dan hen! En hun bezorgdheid om mijn “mager zijn” is heel bizar voor me!

 

21/07 Sus 17u30

Ik voel me nogal rot vandaag. Toen we gisteren bij onze vaste riksjadriver Rubel wilden gaan zitten, deed zijn vader teken dat we dat niet mochten. Ik vraag me af of we iets verkeerds hebben gedaan. Vanmorgen gingen we weg met de auto met dokter Paul. Vanavond wisten Liesbet en ik niet bij wie we in de riksja mochten. Gaby voerde ons terug naar Sabalamby. Het is vervelend dat we hen de reden van de riksjawissel niet kunnen vragen. Bovendien is het morgen onze laatste dag Netrakona, en ik zal me altijd blijven afvragen waarom we niet meer bij Rubel mochten.

 

Tipu had Liesbet en ik uitgenodigd om vandaag iets te gaan drinken bij hem thuis. Hij kon niet de hele bende bij hem thuis ontvangen, want daar was zijn huisje te klein voor. Omdat hij ons het beste kende, kregen wij zijn uitnodiging. Hij deed er wel wat geheimzinnig over, en omdat het allerminst veilig is om als jonge (blanke) meisjes zich alleen onder de Bengaalse mannen te begeven, zijn we erg op ons hoede. Vandaar dat we vandaag na heel lang twijfelen voor ons afspraakje verontschuldigd hebben. Niet dat ik Tipu niet vertrouw, het is een heel lieve man, maar toch… zo’n stap in het vreemde, en zeker hier in Bangladesh, als twee jonge blanke meisjes… Je weet maar nooit. Hij zag er wel wat verdrietig uit. Ik vroeg of hij kwaad was. Hij zei van niet. Maar toch, hij was duidelijk ontgoocheld. Onderweg naar huis kochten Liesbet en ik een cake, die we morgen aan Tipu zullen geven om het goed te maken. Ik noch Liesbet wou hem kwetsen en toch hebben we voor zijn gastvrijheid bedankt. Ik voel me echt schuldig.

Vandaag moesten we afscheid nemen van de verpleegster Hasna. Morgen, onze laatste dag in Netrakona, moet ze niet meer werken. We huilden allebei. Het is vreemd dat ik altijd zo vlug aan iemand gehecht raak. En afscheid nemen, wetende dat we elkaar misschien nooit meer zullen zien, dat is zwaar. Dat zal niemand ooit leren.

 

Gelukkig waren er deze dag ook lichtpuntjes! Liesbet, André en ik mochten vanmorgen meegaan met Dokter Paul naar Barhatta, een ziekenhuis van de regering waar Damiaanactie een postje heeft. Het was een enorm contrast met het Damiaanhospitaal in Netrakona! Onhygiënisch, wak, vervallen… Normaal zouden we naar een ander ziekenhuis veel verder gaan, maar dat kon niet door de overstromingen. Door al die wateroverlast waren er ook veel minder patiënten in het ziekenhuis dan gewoonlijk. De mensen hebben geen vervoer ernaartoe, moeten eerst hun hebben en houden in veiligheid brengen...

We stopten ook nog even in het veldhospitaaltje van Damiaanactie in Netrakona zelf. Daar komen zieken die niet opgenomen moeten worden in het ziekenhuis (ze zijn aan de betere hand of niet zwaar ziek) naartoe om onder toezicht van een dokter of verpleger de medicijnen in te nemen. Als men die medicijninname niet zou controleren, is de kans groot dat de patiënt met de behandeling stopt. Na een tijdje hervalt de patiënt, maar dan is hij/zij immuun geworden voor het gewone geneesmiddel. Het is zeer duur om deze zieken te behandelen, maar het is wel meer dan noodzakelijk. Want als deze zieke dan gezonde mensen besmet, zal het gewone geneesmiddel ook bij hen niet meer werken. Het opvolgen van de medicijninname is dus zeer belangrijk.

Bovendien wordt er ook telkens uitleg gegeven over de ziekte, de behandeling, hoe anderen besmet worden… Dit aan de hand van tekeningen, zodat men, ondanks het analfabetisme, toch heel goed kan volgen. Alle behandelingen zijn voor de lepra – en tb-patiënten volledig gratis. Het doet deugd te zien dat dit allemaal kan dankzij de steun van alle sponsors en Damiaan - sympathisanten.

 

Liesbet en ik zaten op de banken onder het afdak naast het ziekenhuis toen Mili ons kwam begroeten. We vroegen haar erbij te komen zitten en zijn vriendinnetjes geworden. Ze gaf me een soort chips en we hadden zo goed als het kon een aangename babbel. Mili is 8 jaar. Ze is een nichtje van Rubel. De vrouwen van de familie kwamen zeggen dat we morgen “sjahajadi” (natuurlijke henna) zullen krijgen. Al gauw waren we weer omringd door lieve bengaaltjes. Mili stelde Liesbet en ik aan hen voor: 3 zusjes Aki, raki en Kuki… Verder Habsa en Tuni. De rest ben ik vergeten. Bengaalse namen zijn in het algemeen heel moeilijk!

 

 

22/07 Sabalamby 22u30

Het is de laatste keer dat ik in Sabalamby schrijf… De laatste dag Netrakona is voorbij. En wat voor een dag! Deze morgen besloten Liesbet en ik om onze sari aan te doen om naar het hospitaal te gaan. We kregen veel fijne reacties. Blijkbaar ging het in het dorp de ronde dat twee blanke meisjes een sari droegen, want toen we in het hospitaal onze werkkleren hadden aangetrokken, kwam dokter Paul aan. Hij vroeg ons meteen waar onze sari gebleven was. De mensen in het dorp hadden het hem verteld.

We namen de hele dag Gaby als riksjadriver, omdat we niet wisten of we bij Rubel konden of niet. Toen Gaby ons vanavond terugbracht naar Sus, samen met de andere riksjadrivers, was Gehlim, de conciërge van het gebouw, erbij. We vroegen Rubel via Gehlim waarom we van zijn vader Gaslow niet meer bij hem mochten zitten. Of we iets verkeerd hadden gedaan. Blijkbaar hadden Rubel en Gaslow een discussie gehad, een soort competitie over wie ons in de riksja mocht vervoeren. Wij namen altijd Rubel als riksjadriver, maar Gaslow wou ook eens. Ze zijn het blijkbaar niet eens geworden wie mocht en daarom moesten we bij Gaby. Rubel zei dat hij ons wél wilde vervoeren en vroeg of we kwaad waren. Ik was vooral opgelucht dat er dus eigenlijk niks aan de hand was. Maar toch heeft dit stomme voorval ervoor gezorgd dat we de laatste riksjatochtjes door Netrakona maakten met Gaby in plaats van onze vriend Rubel.

Normaal zouden we deze avond per riksja naar het Susang restaurant gegaan zijn voor een laatste etentje met directeur Subash en dokter Paul, maar we mochten niet meer. Het was te gevaarlijk geworden. Een moslimfundamentalist wou met ons een praatje maken, maar Gehlim weigerde hem de toegang tot het gebouw. De man was immers een belangrijke politici van een extreme islampartij, die in verbinding staat met Al Qaeda. Daarop ontstond op straat een zeer hevige discussie met geduw en getrek. Uiteindelijk is de stichtster van Sus gekomen, een vrouw met heel veel gezag! Ze nam de man mee naar haar bureau om het uit te praten. Om de gemoederen op straat te bedaren mochten we ons ook zo weinig mogelijk laten zien. We wisten immers niet waarover de ruzie eigenlijk precies ging. Vandaar konden we de riksja’s naar Susang niet nemen en belde men om de wagens. De riksjadrivers stonden wel nog steeds beneden en dus werden ze betaald voor het wachten. We mochten eerst zelfs niet naar buiten om afscheid van hen te nemen, en dat vond ik verschrikkelijk! Uiteindelijk werd het donker buiten en kon het gelukkig toch. We gaven hen een pak T-shirts en ik zei tot Rubel:“Bye, amar bundu” (mijn vriend) en hij noemde ook mij “amar bundu”. Voor mij was dit heel belangrijk. Een moment dat ik nooit zal vergeten. Het had een lijn getrokken onder de rare situatie met Rubel en Gaslow, en zo werd mijn herinnering aan hem weer eentje om te koesteren.

 

Toen vertrokken we eindelijk in de auto naar het restaurant. We zwaaiden alle riksjadrivers uit, en het besef dat ik hen nu nooit meer zal terugzien is ongelooflijk vreemd. Aan de hele familie zal ik een mooie herinnering bewaren. De vrouwen deden deze middag sjahajadi op mn handen. Het was een dikke pap die ze met een stokje in bolletjes op mijn ene hand kleefden en op mijn andere hand maakten ze kronkels. Er kwam ook sjahajadi over mijn vingertoppen en nagels. Het moest twee uur drogen, maar een half uurtje later moesten we van iedereen afscheid nemen en wreven we de sjahajadi er al af. Toch was onze huid al heel fel oranjerood gekleurd. De vrouwen hielpen me (zoals elke vrouw die we tegenkwamen en telkens op een andere manier) om mijn sari te draperen. Ze hadden ook mijn T-shirt omhoog getrokken en knikten bevestigend naar elkaar. Ze zeiden herhaaldelijk “Bra! Bra!” Een beha kennen ze wel, maar dragen ze niet. De vrouwen giechelden erom en ik stond geamuseerd toe te kijken.

Het was een dag vol afscheid en het viel dus heel erg zwaar. Ik kon het niet helpen, maar alle Bengalen die ons nieuwsgierig kwamen uitwuiven, waren verbaasd een huilend blank meisje te zien. Ik had het echt moeilijk met het besef dat ik de meeste mensen wellicht nooit meer terug zal zien. Van Nila kreeg ik nog een hele reeks paarse armbandjes. Ik zal haar missen. En ook Nondon, een leprapatiënt van ongeveer 16 jaar, kwam me twee maal ontroerend knuffelen als afscheid. We hadden koekjes gekocht en alle patiënten, werkmannen en hospitaalpersoneel hadden er gekregen. Voor het echte vertrek gaf ik iedereen een hand. Vele patiënten vroegen me nogmaals te bidden voor genezing, hielden mn hand vast en wilden hem niet meer lossen. Een zieke vrouw begon hartverscheurend te huilen toen ik haar probeerde duidelijk te maken dat ze zou genezen en haar een troostende zoen op haar voorhoofd gaf.

 

Ook al ging de communicatie met de patiënten moeilijk en bleef het heel beperkt, toch had ik een band met hen opgebouwd. Het afscheid van elke man, elke vrouw viel me zwaar. Zeker ook van de werkmannen. Vooral van de eeuwig lachende Abulkalam, de 12jarige Rukon, de lieve Pablo en Sybullislam… en “tmanneke” natuurlijk, van wie de naam ik echt niet kan onthouden. Ook het afscheid van verpleger Attik en Tipu was allesbehalve gemakkelijk. Tipu had ons deze morgen uitgenodigd voor de thee. Liesbet en ik gaven hem de cake die we gisteren gekocht hebben. We kregen een soort papje, “shemai”. Het was zeer lekker.  Tipu leek het ons vergeven te hebben dat we zijn uitnodiging om bij hem thuis te gaan geweigerd hadden. Want toen we een foto lieten maken van Liesbet, ik en Tipu, namen we elkaar vast en achteraf zei hij tegen Nila dat hij van ons hield. Het is een lieve man, net als Attik met zn lieve lach. Macho Mamoon stal bij ons vertrek uit het hospitaal de show door te huilen alsof we zijn allerbeste vrienden waren. Hij is één van de weinigen die ik niet zal missen!

Wegrijden in de riksja, weg van het ziekenhuis deed veel pijn. Want al die nieuwe vriendschappen werden nu slechts een herinnering. Een stukje van mijn ziel ligt nu nog in het hospitaal. Ik wil zeker ooit nog terugkomen en hoe sneller, hoe liever!

 

Deze middag hebben we bij Abul thuis gegeten. Hij is de chef van de werkmannen. We noemen hem Maestro. Het was fijn. Hun huisje is heel gezellig. Ernaast staat een klein hokje dat fungeert als keuken. Een ketel op de grond met een vuur eronder, een zwartgeblakerd plafond. Primitief, maar toch nog chique voor de bengalen! Deze avond aten we dus in Susang met Paul en Subhash. We kregen een bedankingscadeautje. Voor Liesbet en ik waren er juwelendoosjes, omdat we – zo zei dokter Paul – van juwelen houden. (We hebben ondertussen zoveel armbandjes gekregen dat ze er al niet meer bij kunnen!)

 

Nu zit ik hier voor het laatst op mijn bed in Sabalamby te schrijven, en ik voel nu meer dan ooit dat Netrakona mij veel geleerd heeft. Morgenvroeg verlaten we tot mn groot verdriet deze stad, waar ik net mijn weg begon te vinden en waar ik me net thuis voelde. Ik heb in dit plaatsje mn hart verloren aan zoveel mensen. Ik heb er veel gegeven maar ontelbaar veel meer teruggekregen. Die ervaringen, vriendschappen… mooie herinneringen om te koesteren…

 

 

23/07/04 Damiaanhospitaal Jalchatra 20u30

Vanmorgen ons laatste ontbijt in Sus Netrakona… Tot onze grote verbazing hadden we plots bezoek: Rubel, Gotmia en Gaslow stonden beneden aan de poort! Het was heel lief dat ze hun werk hadden laten liggen om ons nog uit te zwaaien! Het was het bewijs dat ze ons niet enkel zagen als die blanken die hen werk gaven en betaalden, maar ook als vrienden, net zoals wij hen zagen. Ik had al afscheid genomen van de lieve Reno, die altijd het eten kwam brengen. En toen ook definitief van de drivers.

De laatste rit door Netrakona, de laatste keer de gekende wegen zien, de vertrouwde geur ruiken… Slik.

 

Op weg naar Jalchatra bezochten we even Riponmia. Zijn moeder is leprapatiënte en kreeg van Damiaanactie een koe. De vader werkt als steenkapper en verdient 50 takka per dag. (70tk = 1) Door de overstromingen heeft hij al een tijdje geen werk meer en heeft het gezin dus geen inkomen. Riponmia kan bijzonder goed tekenen. Hij kreeg een tijd terug zelfs een prijs voor zijn kunstwerkjes. Men had het gezin op de hoogte gebracht van onze komst en daarom had Riponmia een boel prachtige tekeningen gemaakt. In totaal hebben we er 7 gekocht, voor elke tekening 100tk. Voor ons heel weinig en voor hen een grote hulp! Het gezin (vader, moeder en vijf kindjes) kunnen zo weer een tijdje verder.

 

We stopten ook voor een bezoekje aan het Damiaanhospitaal in Mymensing. Een dokter toonde de voetverzorging met lauwe weekbaden. Hij stelde ons ook de patiënten voor met gecompliceerde letsels of vergevorderde tb-besmetting.

Het hospitaal is heel verzorgd, en volgend jaar zal er waarschijnlijk een bouwkampzijn om een was- en opslagruimte bij te bouwen. Hoewel het hospitaal in Mymensing mooi is, is het niets vergeleken met het ziekenhuis in Jalchatra. Hier is het, zoals Luc ons voordien zei, een waar paradijs! De kamers voor de patiënten zijn aparte paviljoenen, verbonden door een overdekte wandelgang. Er is een eetzaal, keuken, wasruimte… En dat allemaal in een prachtige tuin!

Deze namiddag, na aankomst in Jalchatra, vertrokken we terug naar de wekelijkse markt van de nabije stad Madupur. Het was er enorm druk! Mannen troepten weer rond ons (vrouwen zie je heel weinig op straat), en als ze konden, raakten ze me aan. Zo voelde ik me veiliger als ik dicht bij Willem was, want die hield de mannen een beetje op afstand. Gelukkig! Loop hier als jong meisje alleen op straat en je wordt zeker en vast aangerand. Willem, Liesbet en ik stonden weer achteraan in de pick-up. Het was zalig! We zaten telkens vast in “files”; eerst op de ananas-, dan op de bananenmarkt. Ongelooflijk hoe het verkeer (grote vrachtwagens vol fruit, bussen, riksja’s, fietsen, moto’s en twee auto’s met blanken) kriskras door elkaar, vlot moest verlopen. Je doet er een half uur over een honderdtal meter! De voertuigen rijden stapvoets en rakelings langs elkaar, onder een luid geroep en in een wolk van uitlaatgassen. Hoewel dat om te stikken was, heb ik me er echt geamuseerd. Mannen die op de bananenvrachtwagens zaten, riepen ons en gaven ons een massa overheerlijke, zoete bananen. Ze waren zeer blij als ze zagen dat we ze met veel smaak opaten.

 

In de hitte van vandaag was het achter in de pick-up in volle vaart zalig om de wind te voelen! Ondertussen ging de zon net onder en het landschap was adembenemend mooi! Een oranje lucht, de weerspiegeling op het water, de vele bananenbomen, bengalen langs de weg met manden op hun hoofd of bij hun visnetten… Ik heb er echt van genoten.

 

 

24/07 Jalchatra 11u45

Net een rondleiding gehad door het ziekenhuis. Er zijn heel veel jonge patiënten. Onder andere een 20jarig meisje met zware lepra en een 22jarige jongen, Asad. Hij is hier sinds eind juni en bij opname woog hij amper 30 kg! Hij heeft tuberculose, wat wel een ziekte is die je heel jong kunt krijgen, zoals de 4jarige Giovan in Netrakona. Maar zo’n jong meisje met vergevorderde lepra is wel zeer uitzonderlijk!

Hier liggen ook enkele patiënten die bijna naast het hospitaal woonden, maar zó lang gewacht hebben om te komen dat hun gezondheidstoestand nu erg miserabel is. Blijkbaar is er, ondanks het feit dat er voor de behandeling niet betaald moet worden, helaas nog steeds een grote drempel om te overschrijden.

Jalchatra is een uitzondering op alle Damiaanziekenhuizen, want hier kan men ook voor andere ziekten buiten TB en lepra op consultatie gaan. Er zijn zo’n 8tal bedden voor deze ergste patiënten. Anderen worden medicijnen voorgeschreven of doorgestuurd naar een ziekenhuis van de regering. In de gang voor de operatiezaal liggen zakken met in totaal zo’n 120 000 “sputum-potjes” (voor het onderzoek van opgehoeste slijmen), wat voor dit project alleen al nog niet genoeg is voor één jaar!

De operatiezaal zelf is ook een verademing in vergelijking met die in Netrakona. Het is er veel properder en afgeschermd van de gang van de patiënten. Maar gelukkig… in Netrakona is zo’n operatiezaal ook een toekomstperspectief!

 

         19u

Vanmiddag hebben we terug een mandidorpje bezocht, waar één van de Damiaanmedewerkers woont. Het was weer een zalige rit. Aangekomen bij de mandi’s, werden we verwelkomd met een speciale welkomsdans waarbij ze bloemblaadjes op ons gooiden. Toen toonden ze nog een hele reeks dansjes. Ondertussen kregen  wij een soort chips en rijstwijn à volonté. Uiteindelijk moesten ook wij iets doen. We deden (zoals in het vorige mandidorp) de plopdans en “dag mn rozemarijntje” met de kindjes. Het was heel fijn!

Op de terugweg zijn we nog even gestopt langs de baan naar Madupur. Daar waren er gisteren heel veel vissers. Vandaag waren er helaas door lichte regen en duisternis veel minder. We wandelden langs een overstroomd paadje. Heel veel ‘kada’ (slijk) en lekker warm water. Ik genoot van het uitzicht, van het vallen van de avond, de afkoeling. Het was weer een heel fijn uitstapje, een extraatje, weer een mooie herinnering erbij…

 

 

26/07 boot The guide tours Sundurbans 23u

Gisteren vertrokken we uit Jalchatra. We hadden een lange rit voor de boeg, maar met de nodige fijne stops onderweg, werd het toch een fijne dag!

Eerst woonden we een mis bij de Mandipeople bij. Zij zijn christenen. De mannen zaten er rechts, de vrouwen links. Er werd muziek gespeeld en iedereen zong mee. Het was een heel stemmige mis. In Bangladesh zijn de meesten moslim. Op de tweede plaats is er het hindoeïsme en een minderheid is christen. Boeddhisme vind je eerder in het noorden, net over de grens.

Een tweede stop was in Puthia, waar we prachtige, oude hindutempels bezochten. Ze waren ongebruikt en vervallen. De meeste hindu’s zijn namelijk naar India verdreven.

In Kushtia aten we heerlijke mongla’s. Toen we in het eethuisje aankwamen was het er redelijk rustig, maar toen we vertrokken zat het plots overvol! We mochten van de eigenaars hun eigen toiletputje gebruiken, dat achter het gebouw lag. Ze lieten ons door een smalle poort en meteen drumden de bengalen om mee binnen te kunnen. Op het eerste verdiep van het vervallen huis hingen Bengaalse jongens al wuivend en roepend door het venster. Wat een drukte!

’s Avonds gingen we op bezoek bij de Bao’s, een volk dat vroeger rondzwierf en leefde van muziek. Nu hebben ze zich meestal ergens gevestigd. Ze zijn humanisten; voor hen is elke godsdienst gelijk. Aklema was onze zeer lieve gastvrouw. Men had de grond onder de bomen bedekt met tapijten en er stonden koekjes, ananas, mango, misti (soort snoepgoed), koekjes, vijgen en limonade voor ons klaar. De bao’s speelden en zongen hun traditionele muziek. Het was al donker toen we er aankwamen, en met enkele olielampjes was het bijzonder stemmig. Wij en de muzikanten waren omsingeld door andere bao’s en mensen van het dorp. Het schijnsel van de olielampjes viel op hun gezichtjes. Heel mooi om te zien. Na het musiceren kregen we van Aklema een lekker, maar zeer pikant avondmaal. Bao’s zijn arme mensen, maar toch had ze dit maal voor ons met plezier klaargemaakt. Het was zo ontroerend gastvriendelijk. Achteraf hebben we haar de onkosten vergoed. Helaas voelde Aklema zich niet zo goed; ze had al een hele tijd last van oorpijn. We gaven haar uit onze reisapotheken een breedspectrumantibioticum. Als het niet zou helpen zullen Willem en Ingrid met haar naar de specialist gaan in Dhaka. Hopelijk is dat niet nodig.

Het was een lange dag geworden en na een overnachting in Shuadanga vertrokken we naar Mongla, waar we de boot zouden nemen. Onderweg bezochten we een hospitaal van Italiaanse zusters, waar er vorig jaar een Damiaanbouwkamp geweest was (er is een Damiaanpostje), en een borduurproject in Kulna. In deze ngo komen dagelijks honderden vrouwen samen om te naaien en te borduren. Hun kindjes kunnen er les volgen, en de allerkleinsten liggen bij de mama op schoot. De stichtster van de ngo geeft een goede prijs voor elk afgewerkt borduursel en verkoopt die dan in het buitenland. Zo zijn ook deze vrouwen verzekerd van een inkomen, terwijl ze nog perfect op hun kleintjes kunnen passen.

In Mongla, ons eindstation met de auto’s, namen we ons intrek in de boot van The guide tours. Hier zit ik ook te schrijven. Het is vreemd om hier in deze luxe te zitten en de bewoonde wereld te verlaten. Op de boot staat geschreven: With us, you are never a stranger…

 

 

27/07 The guide tours boot, sundarbans 18u

Zo meteen varen we verder. De hele namiddag hebben we voor anker gelegen op een plaats in de Sundarbans.

We maakten een wandeling door de open vlakte van het woud tot aan het strand. Daar zwommen we in de enige echte Golf van Bengalen. Fantastisch! Het water is er vier maand per jaar, waaronder juli, zoet in plaats van zout. Het lauwe water was een zalige afkoeling in de hitte van vandaag.

Zojuist namen we het roeisloepje om door de nauwe zijriviertjes in het oerwoud te varen, tussen prachtige bomen, vogels, vlinders en apen!

 

Terwijl ik dit schrijf, vertrekt de boot. Het is echt luxueus, een enorm contrast tussen wij rijken tegenover de zovele arme bengalen. En dat wringt wel. Ook gisteren toen we met de auto op een veerpont stonden, kwamen er enkelen bedelen. Hen negeren, de andere kant op kijken, vind ik zo laf, maar tegelijkertijd besef je dat je echt niets kunt geven met die massa bengalen erbij…

Ik was blij dat we in Netrakona konden werken, de dorpelingen wisten dat we hielpen met de verbouwingen in het ziekenhuis. Maar de laatste dagen, en vooral hier op de boot, voel ik me een pure toerist, en daar hou ik niet zo van.

Het is hier wel heel rustig, en ik heb eindelijk de tijd om enkele algemene dingen over Bangladesh te vertellen:

 

Moslimfundamentalisme:

Buiten het incident bij Sus de laatste dag in Netrakona, werden we totnogtoe heel vaak geconfronteerd met het moslimfundamentalisme. Toen we uitgenodigd waren bij Abul- maestro (de chef van de werkmannen), konden we ook zijn slaapkamer zien. Daar hing boven zijn bed een affiche van Osama Bin Laden. Er stond vrolijk bij: “Happy christmas”. In Dhaka zag ik een riksja met op de achterkant geen gewone versiering of reclame voor een Bollywoodfilm, maar een afbeelding van Sadam. In een T-shirtshop kon je een T-shirt kopen met de skyline van New York, waarop de WTC- torens nog rechtstaan, maar waar een vliegtuigje recht naartoe vliegt. Het zijn steeds kleine aanwijzingen naar het extremisme dat hier (in mindere mate maar toch) heerst.

 

Hartal:

Sinds we hier in Bangladesh zijn, waren er een stuk of 4 stakingen of hartals. Ik weet niet van alle hartals de reden, maar heel vaak is die omwille van een politieke moord. De politieke situatie is hier heel labiel. Er zijn voortdurend botsingen tussen de huidige regering en de oppositie. Heel vaak worden politici vermoord.

Overal zie je ook verkiezingsaffiches hangen. Elke politicus heeft een eigen symbool: een stoel, hert, olifant… Ook op de stembrieven staan deze tekeningetjes. Zo krijgt ook een analfabeet (de gewone bengaal dus) de kans om te gaan stemmen.

Merkwaardig is dat er ook vrouwen opkomen in de politiek en vooral dat een vrouw ook voorzit, terwijl  Bangladesh op en top een mannencultuur is.

 

Mandi’s? Vrouwencultuur!

Bij de mandi’s is het anders: daar zwaait de vrouw de scepter! Huwelijken worden niet door de ouders geregeld. Vaak gebeurt het dat een meisje een jongen moet kiezen, en ze dan samen in een kamer worden opgesloten. Als de jongen kan ontsnappen, moeten ze niet trouwen. Als ze zo 3 nachten samen hebben doorgebracht – de vrouw heeft de man kunnen verleiden – dan kan het huwelijk doorgaan. Bij de bezoekjes aan de mandi’s was het merkbaar dat de vrouw er belangrijk was. De sfeer was er voor ons heel erg ontspannen.

Rijst of scampi’s?

Vele rijstvelden zijn door rijken opgekocht om er scampi’s in te kweken. Het water wordt overdag opgewarmd en is dus een ideale kweekvijver. Voor de arme bengalen die er werken is dit zeer slecht. Ze krijgen voor het harde werk een minimumloon. Dat geldt ook voor de meeste rijstboeren, die ook werken voor een grootgrondbezitter. Maar de gekweekte rijst heeft niet alleen een afzetmarkt buiten, maar ook in Bangladesh zelf. De scampi’s, die enkel voor export dienen, zijn dus geen voedselbron voor de gewone Bengaal.

 

Slangengevaar:

De rijstboeren krijgen niet alleen te kampen met slechte oogsten door overstroming, rotting van de rijst of ziektes, maar ook met waterslangen. Deze dieren verschuilen zich in de rijstvelden en vallen heel vaak de werkende boer aan. Hun giftige beet kan zelfs de dood betekenen. Nu ook dorpen overstroomd zijn, is de kans een slangenbeet te krijgen nóg groter…

 

We liggen nu vastgeankerd in het midden van een brede rivier in het oerwoud. Hier zullen we overnachten. Vannacht sliep iedereen met de kajuitdeur open. Het was ongelooflijk warm. Ik had ook opnieuw een vriendje in mijn kamer, mijn tweede Zaza de kakkerlak…

 

 

29/07 boot The guide tours, richting Mongla terug 5u

Gisterenmorgen stonden we om half vijf op om een dauwtrip te maken door het oerwoud met een klein sloepje. We maakten ook een wandeling door een moerassig stuk mangrovewoud tot aan de zee, waar duizenden scherven van potten lagen. Hier en daar lag er ook nog een ongeschonden exemplaar. Ze dateren van zo’n 400 jaar geleden. Er leefde aan deze kust een hindustam, die duizenden van die potten op het strand zetten en er zeewater indeden. Telkens het water opgedroogd was, bleef er een laagje zout in de pot achter. Zo leefden ze jarenlang van de zoutontginning. Door een enorme vloedgolf heeft de hindustam deze plek verlaten. Ze lieten alle potten achter. Tot diep in het bos kom je de scherven tegen. Onder de grond zitten vast en zeker prachtige potten en kruiken, en misschien wel hun hele nederzetting. Ik heb er moeite mee dat ook wij zo’n echte potten meehebben naar huis. Het voelt echt aan als de rijke, plunderende toerist. Hoe dan ook, het is een feit dat de Bengalen er zelfs niet aan denken om alles van die Hindustam op te graven en te bewaren. Daar is geen geld voor. Onze potten blijven nu tenminste nog heel. Als dat een excuus mag zijn… :-s

 

Terwijl ik dit schrijf, varen we voor de laatste keer terug naar Mongla met de privé-boot. Het zal me goed doen terug onder de bengalen te zijn, want hoewel de Sundarbans heel mooi en rustig zijn, voelt het niet aan als Bangladesh. Ik mis de echte Bengaalse drukte. Straks zit ik er gelukkig opnieuw midden in.

Helaas nadert het einde van de reis…

 

      Steamer, op weg naar Dhaka 21u

Deze nacht stapten we over van de Guide tours-boot op de steamer (met Gentse motor!). Wij zitten helemaal boven, in eerste klasse, samen met enkele rijke bengalen. Op hetzelfde verdiep, maar afgescheiden van ons, is er de tweede klasse, waar arme bengalen op de grond slapen, op eigen tapijten en doeken, opeengepakt. Op het onderste verdiep, heel dicht tegen het wateroppervlak, slapen de allerarmsten. In het midden van dat vertrek staat de gigantische motor en aan weerszijden ervan in het water is er een door de motor aangedreven rad. Het maakt een immens kabaal, en de Bengalen moeten in dat lawaai en die vochtigheid slapen. Verschrikkelijk.

Wij hier in eerste klasse hebben tweepersoonskabines, met zachte bedbakken. Er is een lavabo waarin donkerbruin water stroomt en er zitten verschillende kakkerlakken onder onze bedden, maar je hoort me absoluut niet klagen… We hebben het hier fantastisch goed.

Deze namiddag heb ik erg genoten van het landschap. De met palmbomen begroeide, hoger liggende oevers, de knalgroene rijstvelden, de zon die af en toe scheen, de hevige regenbuien die als een sluier over het landschap vielen, de ronddobberende vissersboten…

Telkens als de Steamer stopt bij een ophaalplaats is er een drukte van jewelste. Een massa mensen moeten de boot in en maar weinigen stappen af. Het wordt dus steeds dichter bevolkt in de boot. Zeker in de derde klasse. Zolang we aan een opstapplaats liggen, komen er ook verkopers van onder andere kranten, tabak en nootjes aan boord. Sommigen blijven op de boot tot aan de volgende opstapplaats, anderen vliegen meteen weer de boot af. Het gebeurde regelmatig dat er iemand op de boot zat die er niet mocht zijn wanneer hij vertrok. Die gooiden dan hun schoenen naar de oevers, sprongen in het water en zwommen naar de kant. De bengalen staan dan te lachen. Met diegene die overboord sprong, of met onze reactie erop… dat weet ik niet zeker.

 

We kregen weer meer dan de nodige aandacht. Tot vervelends toe kwamen dezelfde macho-bengalen naar ons toe. Eerst riepen ze ons van op een andere boot naast de onze op een opstapplaats. Even later stonden ze – tot onze grote spijt – op ons verdiep. Ze deden teken dat wij hun horloge of ketting zouden krijgen in ruil voor ons armbandje. En zoals gewoonlijk leverden ze weer de Amerikaanse film-commentaar. “You are so nice, hi baby, I love you” We lieten goed merken dat we niet gediend waren met hun praatjes, maar macho- bengalen zijn heel moeilijk om dergelijke dingen aan het verstand te brengen. Zelfs negeren helpt niet. De cliché- Italianen hebben hun concurrenten gevonden…

 

In eerste klasse staat in de zaal een tv. In het Bengaalse nieuws toonden ze beelden van het overstroomde Dhaka. Ik hou mijn hart vast voor wat er ons straks te wachten staat. Onze boot heeft momenteel een uur vertraging en voorlopig is de aankomst in Dhaka voorzien om 9u. Als we onderweg niet vastlopen tenminste, want het is Luc de vorige keer met deze boot overkomen. Eens in Dhaka zullen we de riksja, auto of… boot moeten nemen naar Marino’s guesthouse. Het hangt er vanaf hoe hoog het water zal staan. De toestand is nu naar het schijnt heel erg (morgen zullen we er normaal getuige van zijn) maar wordt nog erger verwacht. Binnen enkele dagen is het volle maan en dus hoogtij. Daarom wordt er op 2 augustus een hoogtepunt verwacht. Daarna zal het zeker tot in september een rampscenario blijven. Niet alleen zal het water blijven stijgen (veel water komt vanuit het Noorden, uit het hoger gelegen India Bangladesh ingestroomd), ook breken er steeds meer ziektes uit. Men sprak gisteren nog over cholera. Drinkwater is een groot probleem geworden. De regering is begonnen zandzakjes aan te voeren, en voedselpaketten en kledij te verdelen, maar helemaal niet genoeg. In Dhaka alleen al wonen er tien miljoen mensen… Bovendien hebben ze veel te lang gewacht met de hulp en heeft het probleem de kans gekregen te escaleren.

 

Liesbet ligt al te slapen terwijl ik dit schrijf. Het was een lange, maar fijne dag. Toch kan ik me niet ontdoen van het wrange gevoel dat onze laatste Bangladagen razendsnel aan het wegtikken zijn. Maar zeker ook het onbekende overstromingsscenario dat ons te wachten staat, houdt me nog bezig. Ik vraag me af…

 

 

31/07 vliegtuig, ergens tussen Dhaka en Bahrein 10u30

De laatste en enige nacht op de Steamer was een slapeloze. Telkens we aan een opstapplaats aanlegden, was er immens veel kabaal. Vooral om 2u was het heel druk. De meesten stapten dan van de boot af. Ik was s’ avonds voor het slapengaan een kijkje gaan nemen in 2e en 3e klasse. Het was er onmenselijk overbevolkt. Vooral in 3e klasse lagen de mensen echt opeengepakt. Niet iedereen kon zelfs liggen, dus was er een groot aantal die de nacht al zittend moesten doorbrengen. Het was voor ons al een vermoeiende tocht, het moet voor hen dus echt ellendig geweest zijn. Na 2u was het grootste deel afgestapt, en keerde de rust terug. De overblijvers hadden nu gelukkig meer plaats.

 

Het is ongelooflijk wat je op het benedendek en 2e klasse kon vinden… Niet alleen slapende kinderen, vrouwen en mannen, maar ook manden met ganzen en kippen die vrolijk kakelen tussen de slapenden.

Vele verkopers van sjaals, pan (kauwtabak), sigaretten, fruit, kranten en juwelen komen tijdens het aanleggen op de boot. Liesbet en ik kochten een sjaal van zo’n verkoper, en een krantenjongetje verkocht ons een Bengaalse krant met foto’s van de overstromingen in Dhaka. We gaven het jongetje een petje. Hij was er heel blij mee.

 

Niet alleen dat aanleggen op verschillende plaatsen hield me wakker… Telkens ik ingedommeld was, werd ik weer wakkergemaakt door Liesbet. Een kakkerlak bracht haar meerdere keren een bezoekje ( hij bleef wijselijk uit mijn bed J). Het was natuurlijk telkens schrikken voor Liesbet om weer dat vieze beest over zich te voelen kruipen. Nuja, insecten horen werkelijk tot Bangladesh. In mijn valies hebben mieren en spinnetjes hun nest gebouwd. In Sabalamby zagen we regelmatig spinnen met de grootte van mijn hand. De Bengaalse vrouwen die ons het eten kwamen brengen, deden die monstertjes met plezier weg met hun handen. Voor hen zijn ze doodgewoon. Ze vonden het erg grappig dat er bij ons paniek uitbrak.

Ik voel wel dat ik er zelf ook aan begon te wennen. Niet aan die kanjers van spinnen, maar wel aan de vele kleine kruipertjes die gewoon overal zitten.

En ook de schimmelgeur, één van de vele typische geuren van Bangladesh, dat zelfs in je kleren hangt, went na een tijdje. Netrakona had een heel specifieke geur. Het was, na een uitstapje buiten Netrakona, telkens weer een beetje thuiskomen als je het rook. Het was de geur van kerosine, benzine, rottend afval, wierook en kruiden. Het lijkt misschien heel vies, maar het was zo’n vertrouwde geur dat ik er echt naar verlangde. Ik hoop dat ik die geur ooit in België mag ruiken. Het zou een zalig ogenblik Bengaals thuiskomen zijn…

 

Nu, toen we in Shadderghat (de haven van Dhaka) aankwamen, leek de overstroming nog beperkt. We hadden de ondergelopen steenbakkerijen gezien (enkel de torens stonden nog boven water) en hier en daar een  overstroomd huisje, maar het meeste leek nog ongeschonden. Enkele bagagedragers die we ingehuurd hadden, droegen onze koffers naar het benedendek via een andere boot (waartegen we door plaatsgebrek vastgeankerd waren) tot aan de kade. De man die de zakken van Liesbet en ik droeg, was behoorlijk oud. Hij was heel mager, had grijs haar en een lange, grijze baard. Hij had een sjaal rond zijn hoofd gewikkeld en droeg onze koffers (samen zo’n 40 kg!) gewoon op zn hoofd. Hij moest telkens door zijn knieën gaan en zo gebukt een eindje lopen door een gang of op een trap. Ik was bang dat hij het niet zou halen, hij was zo knokig mager en hij beefde. Toen we op de kade stonden vroeg ik hem of hij oké was. Gelukkig wel. Hij lachte, want hij vond het waarschijnlijk een beetje bizar dat ik zo bezorgd was om hem.

 

De auto’s pikten ons op en achterop de pick-up, reden we naar Marino’s guesthouse, waar het water zo’n 5 à 10 cm hoog in de straat stond. (Marino’s guesthouse ligt aan een rivier.) De slums die in deze straat staan, waren voor de helft overstroomd. Toen we terug naar het centrum reden om er de laatste inkopen te doen, zagen we pas hoe erg de situatie op sommige plaatsen was. Het water stond er een halve meter hoog (of hoger soms). Mensen hadden in relatief droge straatjes een ‘tentenkamp’, een nieuwe slum, opgezet. Opeengepakt, tussen het rottende afval, in de vochtigheid… Hier en daar was het water felblauw van kleur. Dit door ontsmettingsmiddelen. Er ontstaan vlug ziektes en worden nog sneller verspreid. Dat is niet wonderlijk, als je ziet dat alle mensen in datzelfde water hun afval gooien, zich wassen, erin naar het toilet gaan, erdoor rijden, varen, fietsen, wandelen en… ervan eten klaarmaken en drinken. Het is een echte ramp.

Men deelt hier en daar chloortabletten uit om het water te zuiveren, en ook kleren en voedsel. In de krant stond dat de regering in een bepaald overstroomd dorp aan elke inwoner iets van 100gr rijst gaf en 0.6 takka. 0.6 takka, dat is zo goed als niets! (70tk=1, een kopje thee kost 2tk)

En het ergste moet gewoonweg nog komen! Overmorgen, bij volle maan en springtij. Nog tot september zal het overstromen, en hoe langer het duurt, hoe onhygienischer, hoe meer zieken en hoe meer doden. En er zijn er nu al honderden…

 

Gisteravond, toen we samen met Ingrid, Willem en Lolita uit eten waren, gaf Willem zijn ‘speech’. Wij hadden, zoals hij zei, inderdaad veel meegemaakt, en zijn getuige geweest van het rampscenario dat 2 derden van Bangladesh elk jaar opnieuw, maar dit jaar extra hard, moet meemaken. Telkens als het weer wat beter gaat, valt alles weer in elkaar. Het zal nog lang duren vooraleer Bangladesh echt aan de betere hand is en wat stabiliteit gevonden heeft. Maar mister Rafik van het hospitaal in Netrakona vertelde ons dat de grootste oorzaak van de armoede in Bangladesh niet de natuurrampen, maar de corruptie is.

 

Toen we gisteren nog gingen shoppen, waren er enkele kindjes die ons bij de hand namen, ons geld en eten vroegen. Hun huisje was overstroomd. Het kleinste zei dat het water tot onder zijn kin kwam. Ze konden beiden een heel klein beetje engels, wij een heel klein beetje bengaals, en met gebaren erbij verstonden we elkaar wel. We wilden hen bananen kopen, maar zij wilden mango. Dat vonden Liesbet en ik zo raar (dat ze wat anders vroegen, honger is honger) en we kochten hen dan maar niets, hoewel we er erg mee verveeld zaten. Ze waren heel lief en bleven aan onze hand lopen. Liesbet en ik waren ontgoocheld dat we naar de chiquere winkels waren gegaan in plaats van naar de gewone straatkraampjes en galerijtjes. Ik wou nog curry kopen en thee, maar die aankoop wou ik absoluut niet in die grootwarenhuizen doen. Ik wou geen geld geven aan de rijken, als ik hetzelfde ook aan een arme kon kopen. Gelukkig ging Willem met ons mee naar een marktje. Hij moest plots weg, en wij mochten er nog wat alleen rondlopen. Ik voelde me niet echt op mn gemak. In de drukte en tussen de mannen kon er altijd vanalles gebeuren. Toch, de kindjes aan onze handen en ondertussen ook een moeder met baby die zich bij ons gevoegd had, stelden me wat gerust. Ze brachten ons terug naar de chiquere winkels, waar de anderen op ons wachtten. Zonder hen hadden we de weg misschien niet teruggevonden. We wilden hen cake of koekjes kopen, maar bewakers van het winkelcomplex stuurden hen bruut weg. We konden zo niks meer geven, en dat vonden we erg. Met elk wat takka’s in onze hand, lieten we onze chauffeur stoppen toen we hen gelukkig nog eens voorbijreden, en door het open raam kregen ze wat ze verdienden. Achterafgezien had ik beter meer gegeven, maar je moet toch opletten als je iemand iets geeft. De bedragen die ons heel klein lijken, zijn voor hen vaak groot en we mogen er dan ook niet in overdrijven. Maar ik ben toch blij dat we toch nog iéts konden geven.

 

Na het etentje had Lolita, één van de meisjes uit een sloppenwijk, waarvoor Ingrid en Willem zorgen, uit het restaurant de restjes meegekregen. Ze zou het aan haar moeder geven. Maar toen we buiten aan het restaurant een slum passeerden, gaf ze de zak aan een oude vrouw en een man. Ze is heel lief. Willem vertelde dat haar moeder voorlopig toch niks tekort had, want momenteel logeerden ze bij Willem en Ingrid thuis. De slum waar Lolita en haar moeder woonden, is volledig overstroomd en daarom konden ze gelukkig bij hen intrek nemen. Gisteravond namen we afscheid van de lieve Ingrid. Vanmorgen op de luchthaven van Willem. Hij is mijn “Banglapapa”, want we kregen vaak de vraag of we vader en dochter waren. Deze maand heeft hij heel veel voor mij betekend. Maar ook Ingrid, die mn gevoelens op zoek naar Lucpoint begreep en me erin steunde, is me heel veel waard.

 

We lieten in Marino’s guesthouse een briefje achter voor Farook en Russel, die er werken. We hebben geen afscheid van hen kunnen nemen. Maar ze zullen me zeker ook bijblijven. We hadden gehoopt dat zij ons vanmorgen vroeg zouden wakkerbellen, maar het was iemand anders. Als het hen geweest waren, dan zouden we weer het leuke, gebruikelijke ochtendpraatje gemaakt hebben. Net zoals de eerste nachten in Marino’s. Ze herkenden mn stem, wensten Miss Lievens of Miss Soen een goede morgen. Dan vroeg ik hoe het met hen was, waarop zij vroegen of ik lekker geslapen had en of ik straks naar het ontbijt zou komen. Ze hadden mijn emailadres gevraagd, dus ik krijg nog wel een mail van hen.

 

Manik en Rohoman (of zoiets), onze chauffeurs, brachten ons naar de luchthaven. Het was onze laatste rit door Dhaka. Wij mochten Manik zijn fooi geven en we bedankten onze beide chauffeurs. Ze hebben goed hun best gedaan in dat drukke verkeer. Alle gevaren doorstaan en ons veilig overal naartoe brengen in een land als Bangladesh, dat is een kunst!

In de luchthaven werden we overal eerst doorgelaten. We zijn blank en rijk en hebben dus voorrang. We waren wel blij dat we niet te lang moesten wachten, maar het is toch bizar en ongepast om zo voorrang te krijgen. Het doet me denken aan toen we de boot wilden nemen om naar Lucpoint te gaan. Ook toen moesten de bengalen voor ons opzij gaan. En ook toen voelde ik me er ongemakkelijk bij.

De luchthaven had natuurlijk wel nog iets goed te maken. Toen mijn bagage door de scanner moest, lag er zoveel op de lopende band, dat mijn keramieken trommel van het hellend vlak op de grond gedonderd is. Ze wilden hem niet vergoeden, maar excuseerden zich wel. Ik was niet kwaad, alleen wat teleurgesteld. En al die tijd tussen Netrakona en Dhaka had ik mijn instrument meegesleurd… Voor niets. Maar ah, het is het einde van de wereld absoluut niet! Scherven brengen geluk, zeker? Immers, Bangladesh heeft me geleerd niet te treuren en te klagen over materiële dingen en kleine narigheden, maar gezond te relativeren. De man in de luchthaven was misschien onoplettend, maar een fout maken is menselijk.

Ik denk dat ikzelf meer mens geworden ben. Ik heb veel geleerd over mezelf, en veel geleerd van de Bengalen. De reis heeft me veranderd en zal ook mijn leven in België veranderen, want straks wacht me nog de cultuurshock, de aanpassing en het zwarte gat weer in België te zijn. Het was werkelijk een keerpunt in mijn leven, hoe cliché dat ook klinkt. Ik ben dankbaar, ontzettend dankbaar, dat ik de kans gekregen heb om dit allemaal mee te maken. En ik ben ook heel dankbaar voor alle steun en aanmoedigingen. Van mijn ouders, broers en zus, van mijn vrienden. Voor het verrassingsfeestje dat me ongelooflijk ontroerde de voorlaatste dag voor mijn vertrek, voor de welkome opkikkertjes die Stéphanie en An me meegaven, voor de fantastische kans die Luc me gegeven heeft, voor de nieuwe vriendschappen, voor mijn Banglapapa, voor vanalles en nog wat.

 

Ik zat hier in het vliegtuig eerst naast Bibi, een Bengaalse, gesluierde vrouw. Het is de eerste keer dat ze vliegt. Ik hielp haar en vond het jammer dat we elkaar niet goed verstonden. Ze heeft op haar plaats geen venster en omdat ik graag Dhaka vanuit de lucht wou zien (de overstromingen, één wateroppervlak) wisselde ik van plaats met een Bengaalse man.

Nu zit ik naast de slapende Jonas te schrijven, met mijn gulfair-sokjes en Bengaals T-shirtje aan. Door mijn raam zie ik een dicht wolkendek onder ons en erboven een felblauwe hemel. De gigantische propeller van de linkerkant hangt schuin achter me, en zo af en toe zie ik wat van de aarde. We vliegen nu boven India. Straks komen we aan in Bahrein, waar we 11uur moeten wachten op de volgende vlucht en waarschijnlijk naar een hotel mogen.

 

Nu ik hier zo zit, na te denken over de voorbije maand, voel ik dat het meer dan goed is geweest.

Bedankt iedereen, bedankt thuis, bedankt Banglabende, bedankt sponsors, bedankt Bengalen, bedankt…. Het was een fantastisch leren, voelen, ervaren…. Ik heb aan Bangladesh mn hart verloren en ik hoop dat ik ooit op een mooie dag nog eens terugkan.

 Bangladesh, ami tomaake balobashi… Abar dàkkha hobe!*

 

*Bangladesh, ik hou van je… Tot weerziens!