Maandag 27 december 2004, uit het dagboek van Joke ...
Bangladesh,
Dhaka, 5h plaatselijke tijd, 12 belgjes zoeken hun weg in Zia International
Airport. De twee andere expeditieleden, Eleen en Luc, bevinden zich nog hoog en
droog in de lucht op een super-de-luxe Bimanvlucht. Rond zes uur kwamen we aan
in Marino Guesthouse, onze thuisbasis in Bangladesh. Na een verkwikkende
ochtendrust verschijnen de meesten onder ons fris en monter aan tafel, waar we
al meteen DE Bengaalse specialiteit geserveerd krijgen, kip met pikante curry,
pikante groenten, en veel rijst (om te blussen).
Na
de lunch, is iedereen klaar om de confrontatie aan te gaan.
Mijn
eerste stapjes in Bangladesh, gezet in de sloppen achter Marino Guesthouse. Hele
families leven in enkele vierkante meters geimproviseerde ‘hut’ (golfplaten,
plastic en wat planken), zonder water, elektriciteit of zelfs bedden.
Een kraampje met een soort koekjes, vier broodjes, bananen, en thee voor
0,5 oude Belgische frank. En vooral én overal, hele hordes kinderen, kleintjes
met hun babyzusje op de arm, bedelaartjes (boxis, boxis), in vodden gekleed.
En graatmagere minihandjes klampen je aan alle kanten vast, aangetrokken
door die blanke rijke Belgen. De Bengaaltjes ruiken geld, eten &
fototoestellen, grijnzen hun witte tandjes bloot voor een plaatje en lachen nog
meer als ze zichzelf op het digitaal schermpje kunnen zien. De sloppen, alle
armoede van Dhaka in een notendop.
Even
later loodst Mannik, onze driver, ons veilig door de chaos van de Bengaalse
wegen, waar de enige wet die van de sterkste is. Riksja’s, babycabs en
overvolle, geblutste bussen bellen en toeteren zich een weg door de wanorde
heen. In de vele files proberen kindjes of gehandicapten snoepjes of fruit te
slijten. Een zieke vrouw wordt op een kar voortgeduwd, een zingende blinde man,
bochels, verminkingen door polio,…
Dhaka,
de stad die evenveel inwoners telt als heel België, is in geen woorden te
beschrijven. De geuren, de geluiden, de mensen, wederom de ongelooflijke chaos.
Dhaka, ongetwijfeld de kleurrijkste en drukste, misschien ook de meest
dichtbevolkte en armste stad ter wereld, stal mijn hart in al zijn verwarrende
eenvoud en zijn rustige drukte.
Toen
we – iets later dan verwacht - uit
onze jeeps sprongen om Old Dhaka te verkennen, bleek dat we onderweg een wagen
kwijt gespeeld waren. Wachten geblazen, dus. Tien seconden duurde het, voor we
compleet en volledig omsingeld waren door Bengaalse binken, die ons ongelooflijk
interessant leken te vinden. Non-stop gestaar, toeterende auto’s, nog meer
gestaar, verkeersopstopping (door ons?) en nog meer gestaar…
Ik kan niet zeggen dat ik niet opgelucht was, toen we uiteindelijk onze
stadswandeling aanvingen, eventjes ontsnappen uit de massa.
Smalle
nauwe steegjes, middeleeuws aandoende winkeltjes en werkplaatsjes,
juwelenzaakjes die voor 90% leeg waren (10 kettingen en twee paar oorbellen, dat
was het), graatmagere rauwe kippen, pikante sringata’s (?), een kluwen
elektriciteitsdraden boven je hoofd,… Maar de oude stad was al bij al rustiger
dan verwacht, een welkome adempauze, want onze volgende stop was werkelijk
overweldigend: Sadar Ghat, de ferriehaven van Dhaka.
Nadat Willem onze haventickets had gekocht, liepen we over een brugje een
uitzinnige menigte tegemoet. Geroep, gejoel, zelfs gezang, omdat we met onze
T-shirts hun geliefde cricketteam promoten of omdat we wit waren? Wie zal het
zeggen. Veel bedelaar(tje)s, van schattig tot oud, van kreupel tot gezond. Toen
had ik de fout gemaakt van 1 kleintje, heel subtiel overigens, een colasnoepje
te geven. Nog geen minuut later liepen er tien bengaaltjes met smekende oogjes
achter me aan, twee volgden zelfs tot aan de auto. Ze liepen zelfs een eind mee
achter onze jeep (nu ja, lopen, in Dhaka verloopt het verkeer stapvoets).
s’Avonds
genoten we nog een overheerlijk diner bij Willem en Ingrid thuis en konden we
kennis maken met ‘kleine’ en lieve Lolita.
Toen
ik rond elf uur met een voldaan gevoel mijn slaapzak opzocht, viel ik direct in
slaap. Het was een lastige maar prachtige dag.
Dinsdag 28 december, uit het dagboek van Lutgard...

Na een eerste nacht in het lawaaierige Dhaka, was het tijd om de fietsen in orde te brengen. Een deel van de groep zorgde er voor dat alle fietsen, die tussen de fietstochten door bij Willem thuis staan, nagekeken en hersteld werden. Sommigen kregen ook een nieuw achterwiel, omdat het vorige de vele putten in de wegen niet had overleefd. .Enkelen zouden muskietennetten kopen, maar die afspraak liep mis, en Willem zelf probeerde onze euro's voor taka's wisselen. Er was véél te veel volk in de bank, en dus kwam hij terug zonder taka?s, en zaten wij zonder geld.
Met de fiets vertrekken in Dhaka is veel te gevaarlijk. Het is ook niet prettig fietsen in de omgeving van een stad: veel te druk, hectisch verkeer, en vermits Dhaka een uitdeinende olievlek is, met heel wat voorsteden, was het beter de fietsen te vervoeren met een lichte vrachtwagen. Zelf reden we met de trein van Dhaka naar Srimangal. Willem had op voorhand tickets gekocht. Hij kon geen 16 tickets krijgen voor Srimangal: er waren nog maar 14 plaatsen beschikbaar, en Willem moest nog 2 tickets nemen naar het station achter Srimangal: ze konden onmogelijk geprint worden tot Srimangal.
We reden met yellow taxi's naar het station, de chauffeurs wisten de weg niet goed, en waren te ver gereden. Ze zijn teruggedraaid, en reden tegen richting tot waar we moesten zijn. Het helse verkeer op die drukke verkeersader is al ontzettend gevaarlijk wanneer je ?normaal? rijdt, hebben deze kamikazes niet met ons leven gespeeld?
De treinrit was een belevenis op zich. We hadden gereserveerde plaatsen in eerste klas, dat betekent dat we comfortabel konden zitten, elk had zijn eigen plek, en na wat herschikken van de plaatsen, voelde iedereen er zich goed bij. De verantwoordelijke van de theeplantage zat ook op de trein: hij ging speciaal voor ons naar zijn theeplantage. Normaal zou hij in Dhaka werken, maar hij wilde ons enkele dagen later royaal kunnen ontvangen.
Het was een eerste confrontatie met 'blanke bekijken', een nationale sport in Bangladesh. Heel wat mensen staarden ons aan, alsof we een wereldwonder zijn. Ze staren, zonder veel meer, zomaar staren naar die blanken, wat ze doen, hoe ze het doen, proberen te doorgronden waarom ze het doen. En daarnaast telkens en telkens weer bedelaars, nu aan de ramen van de trein, die open stonden omdat het voor ons een aangename temperatuur was. In één van de stations voelde een politieman zich geroepen om ons in bescherming te nemen: hij zette zich daar waar wij zaten, en hield iedereen weg voor het raam. Soms echt hardhandig, zoals die ene bedelende vrouw met kind die eigenlijk onterecht met zijn zweep geslagen werd. Ze bleef minutenlang jammeren en klagen, ze zocht steun bij anderen, liet duidelijk blijken welk onrecht die man haar had aangedaan.
Enkele kinderen die lange tijd gebedeld hadden, sprongen bij het vertrek op de trein, kropen op het dak, en kwamen onderweg vanop het dak een kijkje nemen in onze wagon: de ene hield de andere bij de enkels vast, om beurt kwamen ze hun hoofd door het raam steken om ons te bekijken. In het volgende station sprongen ze dan van de trein af, en we vermoeden dat ze op dezelfde manier terug naar huis gereden zijn.
Op de trein kregen we onze eerste lokale maaltijd. In heel wat stations staat de trein langere tijd stil, en komen allerlei ?walking shops? voorbij het raam en doorheen de trein gewandeld. Ze verkopen vooral voedsel, maar ook snuisterijen of kleine geschenken. Willem en Ingrid bezorgden ons chicken sandwiches, hardgekookte eieren, bananen en koekjes. Eén van de jongeren kocht een soort komkommer, en heeft daar ook ?s nachts nog plezier van gehad. Telkens de trein een brug naderde, vertraagde hij: de bruggen zijn door de enorme overstromingen van het voorbije moesson-seizoen minder stabiel, en is er kans op allerhande problemen.
's Avonds was er een cultureel programma bij de Manipuri-people, één van de minderheidsgroepen in Bangladesh. Wanneer we aankwamen, leidden ze ons naar hun winkeltje, waar handwerk zoals dekens, sari's en longi's (de rok gedragen door de mannen) verkocht werden. Vrouwen van verschillende leeftijden deden voor ons een dans, zelfs heel kleine kinderen leerden de kunst van het dansen, met alle symboliek van het plaatsen van handen en voeten. We zaten op de grond op grote matten, ze hadden een geluidsinstallatie die veel lawaai kon produceren, maar niet altijd zorgde voor een goeie kwaliteit. Maar we voelden hoe vereerd ze waren met ons bezoek. Nadien kregen we een tas thee met aperitiefhapjes, een wat ongewone smaak maar toch heel lekker.
Daarna terug naar het oud-koloniale bungalow-park, waar geen tijd meer was om het warme water in het zwembad uit te proberen. 's Nachts werden we geregeld gewekt door de bel om de nachtwacht alert te houden, en het geluid van jakhalzen, die op zoek waren naar mooie blanken?
Woensdag 29 december 2004, uit het dagboek van Elien…
Het volledige dagboek van Elien

Van
Srimangal naar de Tea Estate
Vandaag
was de eerste fietsdag. Maar deze dag begon niet echt goed, want de eerste
Immodiumpatiëntjes vielen. Joke en Jurrian beslisten dan ook een volledige dag
in het bungalowpark van Srimangal te blijven.
Na
een stevig ontbijt mochten we onze stalen ros gaan uitzoeken. Ik bestudeerde ze
één voor één en besloot dan om met stalen ros ‘Annelies’ m’n dagen
door te brengen. Na het oplossen van technische defecten aan de fietsen
vertrokken we rond 9u voor een eerste tocht van 53km. We waren nog maar 500m ver
en de eerste val was een feit. Kristien maakte kennis met de Bengaalse grond,
gelukkig zonder veel erg. We fietsten verder over hobbelige zandwegeltjes op en
neer door de theevelden. Het was constant opletten geblazen voor de vele putten
en bulten en ondertussen proberen te genieten van een prachtig landschap. De
schoonheid van de beelden gaf me een onbeschrijfbaar gevoel. Het leek wel een
droom! Het was puur genieten. Na enkele kilometers vroeg Willem of we een dorpje
wilden bezoeken. We knikten instemmend. Enkele prachtige beelden werden
vastgelegd en we trokken weer verder. En plots verscheen de eerste bamboebrug op
onze weg. Het zag er mij niet echt gemakkelijk uit, gelukkig brachten enkele
dappere Bengalen redding. Toen ontstond plots een waar spektakel, alle kinderen
die stonden te kijken, klommen het bamboebrugje op. Je moet wel goed bedenken
dat zo’n bamboebrugje bestaat uit een wankele leuning en 2 dikke bamboestokken
tegen elkaar. Willem riep me toe dat ik een foto moest nemen. Net op dat moment
gaf ik aan de fietsoverzetters een balpen. Ik werd overrompeld door kinderen die
ook een balpen wilden. Willem bracht redding. Hij maakte zich wat boos in het
Bengaals en probeerde de kinderen een lijn te laten vormen. Ze kregen toen één
voor één een balpen. Maar m’n voorraad die ik bij had was rap geslonken. De
teleurgestelde gezichtjes van de balpenloze kinderen gaven me een raar gevoel,
maar het gevoel dat het “mijn momentje” was geweest primeerde. Het gaf me
een gelukzalig gevoel, het idee dat ik toch iets had gedaan voor hen. De
schattige glimlachjes en de blinkende oogjes deden trillingen ontstaan in m’n
buik, deze keer niet van de zenuwen. We trokken weer verder met onze stalen ros
op naar een volgend avontuur. Enkele kilometers verder stopten we in een dorpje
om iets te eten. We waren weer het evenement van de dag in het dorp. Een groep
Bengaalse mannen staarden ons aan en trokken zich van het verkeer niets aan. De
starende blikken, ik begin er toch een beetje aan te wennen, maar gewoon zal ik
het wel nooit worden. We fietsten verder richting onze verblijfplaats voor die
avond. Berg op, berg af, genieten, stoppen voor een foto en terug het stalen ros
op.
Na
lang zwoegen en met een pijnlijk achterwerk zijn we eindelijk op de Tea Estate
geraakt, we worden verwelkomd met een kopje lekkere Bengaalse thee. Er werd
beslist wie binnen zou slapen en wie buiten. Bert, Wouter, Lander en Jurrian
besloten de koude van de nacht te trotseren. We fristen ons wat op, aten nog wat
rijst met kip en kerrie en zaten nog wat gezellig samen. Luc hield ons nog wat
bezig met een Japans spel, enkele mensen vonden rap de truc, Wouter heeft er de
hele nacht z’n hoofd over gebroken. Om 23u gingen we allemaal onder de wol, om
de volgende dag fris te zijn voor een nieuwe mooie dag.
Donderdag 30 december, uit het dagboek van Bert…

Na het bezoekje begonnen we vol
goede moed te fietsen, we hadden immers 44 kilometer voor de boeg.
Na een paar kilometer echter
stopten we bij een moslimschooltje. We parkeerden onze fietsen op het
speelplaatsje, en hadden direct een hoop in blauw geklede kindjes rond ons
hangen. We moesten even binnen bij de directrice en we kregen - alweer -
thee aangeboden. Na vriendelijk te weigeren en uit te leggen dat we door
moesten, waadden we door de kindjes naar de fietsen toe, we deelden hier en daar
iets uit, namen foto’s en vertrokken opnieuw. We
passeerden dorpjes, de gewoonlijke tafereeltjes van mensen en kindjes die alles
laten vallen waar ze mee bezig zijn om naar de kant van de weg te komen kijken.
Vrouwen die zich verlegen achter hun sari of de deurpost verbergen en toch even
piepen naar wat er gebeurd. Koeien, geiten en kippen, kriskras midden op straat,
zij zijn onze dagelijkse kleine hindernissen…
Toen we weer een paar kilometer
door de theevelden gefietst hadden, namen we een pauze. 10 minuutjes of zo, de
theehellingen beklimmen, proberen een gesprek aan te knopen met theepluksters in
gebrekkig Bengaals, en dan een paar foto’s nemen.
We hadden vandaag ook een paar
keer een overzetbootje. Daarmee bedoel ik, 4 mensen en 4 fietsen in een
minuscule countryboat proppen en daarmee overvaren. Nogal krap, maar dat lukte
wel. In het dorpje aan de overkant deelden we ballonnen uit, terwijl we wachtten
op de anderen die nog aan de andere kant van de rivier stonden. Tientallen
kindjes, en zelfs volwassen mannen kwamen een ballon ophalen.
Vandaag hadden we ook onze eerste
platte band. Lander was een beetje te wild en bonkte wat te wild door, waardoor
plots zijn achterband niet echt meer meewilde. We stopten dus, en haalden
Jurrian erbij. Na opnieuw wat dorpjes en slechte wegen kwamen we weer door
nieuwe theevelden.
Het was al laat op de dag, en de
theepluksters hadden net gedaan met plukken. Het was wel een mooi zicht zo, de
geelgroen rijstvelden, de groene theevelden daarachter, en dan al die kleine
gekleurde stipjes. We reden naar ze toe, en Willem en ik gaven ze elk 2
ballonnen voor de kindjes.
Willem vertelde ons dat het niet
ver meer was naar Madhabkunda en dus vertrokken we voor de laatste paar
kilometers.
Het logement in Madhabkunda was
waarschijnlijk het ergste waar we deze reis in overnachtten. Dicht bij de
Indische grens, stropers aan het werk, af en toe een knal in de verte. Wat we
dus konden doen was onze deur op slot doen met een stevig groot molslot. Ook
viel de elektriciteit uit bij onze aankomst.
En dus zaten we in het pikkedonker. Geloof me, als ze in Bangladesh
zeggen: ‘Het is donker, dan bedoelen ze ook Donker. Met de hoofdletter D.
Zaklampen werden bovengehaald, kaarsen ook en ook de Campari. Campari
met mangosap is nog zo slecht niet?
Dinner at the Parjatan was ook
niet slecht, helemaal niet slecht. Het was natuurlijk voornamelijk kip met rijst
en kerrie, maar dat overleef je wel. Ja, het eten was echt wel in orde. En tegen
dat we klaar waren, was er in het dorp ook al weer elektriciteit, zodat we het
licht konden aandoen en kijken in wat voor een vuile bedoening we eindelijk
moesten slapen. Even later doken we in onze slaapzak onder het muskietnet en
droomden we al van onze volgende fietsdag."
Het volledige dagboek van Elien
Vrijdag
31 december, uit het dagboek van Luc…

Deze
laatste dag van het jaar kondigt zich weinig hoopvol aan. Lander schrikt het
ontbijt op met de melding dat de sleutel van zijn fietsslot zoek is… De
speurtocht naar dit kleinood en enkele technische mankementen aan onze
fietsenstal doen ons alweer met grote vertraging van start gaan. De
koninginnerit van onze Bengaalse Ronde brengt ons vandaag 73 kilometer verder in
het drukke Sylhet.
Vrij
vroeg tijdens deze rit worden ballonnen uitgedeeld.
Groot en klein poseert niet weinig trots met deze opgeblazen
hebbedingetjes. ‘De Zondag’ zal vanaf heden er helemaal ànders uitzien…
Na 20 km stapt Lutgard in de bezemwagen van Mannik.
Een dagje rust moet de opkomende griep uit haar lijf jagen.
Nog
tijdens de voormiddag maken wij een uitgebreid bezoek aan een steenbakkerij.
Kinderarbeid is hier de gewoonste zaak. Smalle handjes boetseren hier op een
hels tempo 5000 bakstenen per dag. Per honderd stenen wordt hier 1 takka
verdiend…
Net
na de middag lukt het de stuurman van de zware veerpont om de stinkende
dieselmotor op gang te krijgen. Tussen de vele Bengaalse medereizigers smeken
alweer kleine kinderogen om een aalmoes… Met fonkelende ogen kijkt het manke
jongentje mij aan wanneer ik zijn zusje een kleine som in de hand stop. … Drie
krakende sloepen varen ons iets later weer op een berijdbaar parcours. Even
verder zijn wij getuige van een wonderbaarlijke visvangst. Een twintigtal
kinderen ploeteren in een modderpoel en vissen er ‘kanjers’ van amper drie
centimeter…
De avond valt als we Sylhet binnenrijden. Door de chaos van deze drukke stad gidst Willem ons naar ons nieuwjaarsdiner in Hotel Polash. We wachten niet op het nieuwe jaar en duiken nog voor de wissel onze slaapzak in…en Kristien is blij met de kleurrijke blikken Bengaalse koffer die ze van Ingrid kreeg...
Zaterdag 01 januari, uit het dagboek van Jurrian…

Happy New Year
Opgestaan met een dagje van 68 km in het vooruitzicht. Om 08u ’s morgens
vertrekken we voor de meest bultige en gatverscheurende tocht die we tot nu toe
hebben gehad. Hotel Polash achter ons latend rijden we richting Shatak. We
genieten nog enkele momentjes van de termakbaan van Sylhet centrum, maar al snel
worden we weer ontvangen door kleine zandwegeltjes, niet wetend wat ons nog te
wachten staat. We rijden een klein dorpje op enkele kilometers van Sylhet door
en zien voor ons een laag keitjes van 30 cm dik, kilometertje lang, weg in
aanleg... In eerste en draaien maar.
Na de keitjes terug zand met gaten, maar na een honderdtal meters stoppen we aan
een klein moslimschooltje. Uit de gebouwen, 4 klaslokalen, stromen plotseling
een 150-tal kleine mannekes die met veel bewondering kijken naar de digitale
fototoestelletjes. We krijgen elk een stoel of bank om op te zitten, en worden
omsingeld door die mannekes. De krapullekes van de bende gaan volledig uit de
bol als Lander een foto trekt van hun directeur.
We zouden wel willen blijven zitten, maar we moeten verder, dus terug op de
fiets en rijden...
Na enkele stops belanden we in Shatak en daar nemen we ons middagmaal. Voor de
verandering *ironie*, waren het chapati’s, parata’s en cindarra’s. Naast
een brokje rijst, dat er eigenlijk ook niet zo smakelijk uitzag voor iemand die
al de hele dag z’n maag ter hoogte van z’n borstbeen voelt en erger, at ik
niets. Met heimwee dacht ik terug aan lasagne en pureepatatten met appelmoes...
Op naar Sunamgonj, onze eindhalte van die dag... zand, stof, kontpijn, steens en
gaten in de baan waren troef vandaag. Waarschijnlijk zitten er geen andere
kaarten in een Bengaals kaartspel. Juist voor het enige stukje tarmac zonder
gaten, een prachtige nieuwgegoten baan, houden we halt bij een hindoedorpje.
Heel mooie lemen huisjes met heel vriendelijke mensen die ons maar al te graag
rondleiden door hun woonplaats. Al snel worden we wakkergeschud als Willem
vertaalt dat de huisjes nogmaar juist gezet zijn omdat ze volledig weggespoeld
waren door de overstroming van deze zomer. Hun laatste rijst ligt te drogen
tussen de huizen en daarmee kwamen ze duidelijk de winter niet door. Willem en
Bert tastten eens diep in hun portefeuille en lieten er een duizend taka achter
(12€), daarmee kunnen ze toch weer enkele zakken rijst kopen. Op een gegeven
moment kwam er een Bengaalse tijger en die slikte Joke in één keer door,
gelukkig was er op dat moment een Bengaalse pelsjager in de buurt en kon met
zijn speer de kop van het beest doorboren, waarop Joke haar zakmes had genomen
en de buik van het beest opensneed en er beslijmd en wel uitkwam. Maar genoeg
getreuzeld, we moesten weer verder.
We rijden over uitgedroogde rijstvelden, een geseling voor het achterwerk, maar
het moest nu eenmaal. Na een tiental kilometers komen we weer aan een betonbaan,
een eerste aanwijzing dat we weer bij een stadje komen. Sunamgonj komt dichter!
We installeren ons in het Circuit House en we trekken er op uit om wat inkopen
te doen. :D We gaan een kleerwinkel
binnen en kopen er sari’s en longi’s. Een uurtje later bezoeken we de
plaatselijke Chinees en krijgen er zelfs echte Belgische vettige frieten. Jammer
voor m’n maag, maar die gaan er hoe dan ook in. Terug naar de Circuit House en
na nog een babbeltje in de kamer van Joke en Eleen gaan we op zoek naar ons
eigen slaapzak en geïmproviseerde bedden van zetelkussens...
Zondag 2 januari 2005, uit het dagboek van Willem...
Vanmorgen ben ik in allerhaast opgestaan! Ik sliep in een kamer met Luc, en volgens Luc hadden we ons al aardig overslapen, dus moest ik me haasten! Na snel men rugzak gemaakt te hebben, ging ik naar beneden, ..en lag iedereen er nog aardig te slapen! Luc had me, bewust, een uur vroeger wakker gemaakt, 'omdat ik toch altijd te lang slaap'. Leuk was anders, maar ik was toch wel weer wakker!
Om
7uur moesten we aan de boten staan, dus vertrokken we op het gemak met de fiets,
anderhalve kilomter tot aan de boten! Bert, dé man die nooit ziek zou worden
gedurende de reis(zo vertelde hij ons) had vandaag aardig wat buikloop!
Hilariteit allom in de groep dus. We stopten bij de rivier, waar onze boten
lagen, en aten nog snel een hapje! In de omliggende kraampjes kochten Bea
en Christine en ik nog snel wat Lichi-drankjes, vieze koekjes en nog wat van
dat!
Daarna gingen we in twee groepen elk op een boot! Boot 1 bestond uit Joke,
Lander, Jurrian, Eleen, Bert, Wouter en ik! Boot 2 bestond uit Luc, Bea,
Christine, Eleen, Willem (grote Willem), Lutgard en Hugo! Het waren twee
prachtig geschilderde boten, ruim en groot genoeg voor ons allen! In
vergelijking met andere boten, die altijd overladen vol waren, zaten wij dus
eigenlijk best wel comfortabel! In ons 'binnenruim' moesten we op onze handen en
voeten kruipen om binnen te geraken, maar boven op het dek was het wel zaalig
vertoeven! Algauw haalden we allemaal ons matje en onze slaapzak boven en
haalden ons tekort aan slaap in! In de brandende zon op een boot liggen
dobberen in je slaapzak, we hébben er van genoten! Op boot twee hadden ze
bankjes op het bovendek ,waar ze dan ook de hele tijd op zaten!
Na enkele uurtjes zaalig varen stopten we bij een dorpje, waar een markt was!
Daar kochten we zes kippen, wat vis (Kristien ging iets 'lekkers' kokerellen),
en wat banaantjes! De Bengalen op de boot zouden die klaarmaken voor ons! We
werden weer aangestaard, maar waren er al helemaal aan gewend! Het was een helse
drukte op dat marktje, en de geur was er bij momenten dan ook hels!! We werden
met enkelen van onze groep uitgenodigd bij een Katholieke Bengaal! Na wat vieze
kleine steegjes kwamen we bij zijn 'huisje' dat vol hing met Mariatekeningen, Jezusprentjes,...
noem maar op! En wij maar schaapachtig lachen over hoe katholiek wij wel
waren... Het was hoogstwaarschijnlijk de énige katholiek in dat hele
dorp!
Wat later vaarden we verder, en verliep de reis weer op het gemak! Mensen op de kades die ons toezwaaiden, wij die terugzwaaiden, het weinige Engels die ze kunnen wordt dan ook graag gebruikt! We kregen zinnen te horen als 'we love you all', of 'beautifull american'. Later in de namiddag zijn we 'the beels' binnengevaren! Enorm veel water met strookjes land hier en daar! Het was een adembenemend zicht! Na wat rondvaren op die wateren, zijn we dan aangemeerd in een klein dorpje, vlak bij een politiepost! Het was een straatarm dorpje, ze hadden er zelfs geen elektriciteit, alleen énkele zaklampen. We werden er héél vriendelijk uitgenodigd, en men doorzocht het héle dorp op zoek naar stoelen voor ons.. Toen we eindelijk allemaal op een stoel konden zitten 'communiceerden' we wat met het dorp! Ik speelde de hele tijd een knipoog-spelletje met een van de kindjes! Telkens ik knipoogde, knipoogde hij ook, en ik knipoogde dan twee keer, hij vervolgens ook, enzovoort... Er was ook een jongetje bij die 'Saddam' noemde. Die avond ben ik heel vroeg in men bed gekropen. Ik heb voor het eerst in openlucht geslapen op het dek. Ik bevestigde een muskietennet aan twee fietsen, en daartussen kon ik dan met men matje en slaapzak rustig slapen! Ik heb wat liedjes gezongen, wat sterren gekeken, en cliché -maar waar- twee vallende sterren mogen zien! Na zowat een halfuurtje viel ik als een blok in slaap!
Maandag 3 januari 2005, uit het dagboek van Lieselot…

Normaalgezien
zouden we die ochtend een wandeling maken in het natuurreservaat, de Beels, maar
door tijdsgebrek werd dit afgelast.
Na
wat varen, stopten we in een klein vissersdorpje om enkele kippen te kopen. We
werden meteen uitgenodigd om een Christelijke familie te bezoeken, de enige in
het dorpje. Opnieuw is dit een blijk van de gastvriendelijkheid van de Bengalen.
We
vaarden verder en zagen hoe de kippen een voor een genekt en gepluimd werden,
waarna alles in het vieze rivierwater belandde.
Toen we het middagmaal genoten hadden, gingen we met de fietsen aan wal,
om onze rit verder te zetten. Eerst bezochten we het Upazila Health Centre
(UHC)in Kalmakunda, waar we uitleg kregen over het opsporen van lepra- en
tbc-patiënten en daarna fietsten we 35 kilometer naar Netrakona. We verbleven
in Sabalumby, een opvanghuis. ’s
Avonds gingen we in Netrakona op bezoek bij Mister Kahn, een textielverkoper met
een eigen zaak, terwijl anderen in het plaatselijke cybercafé met 1 computer
hun berichten van het thuisfront nalazen. Voor
het avondeten werden we uitgenodigd door de directrice van het
vrouwenopvangtehuis en daarna gingen enkelen nog eens de stad in om zich
souvenirs aan te schaffen, ik heb daar o.a. een Bengaalse trommel gekocht in
keramiek en na deze drukke dag gingen wij allemaal zalig slapen onder ons
muskietnet, want de volgende dag zouden we er opnieuw in vliegen.
Woensdag 5 januari, uit het dagboek van Bea...
Vandaag onze laatste rit van ‘de ronde van Bangladesh’.
We starten onze dag in hotel Amir in Mymensingh met een stevig ontbijt. Ditmaal geen parata’s met ei maar toast en ei. Met nieuwe energie kunnen we er weer tegenaan voor onze laatste 70 km.
We rijden naar het Mymensingh hospitaal waar we vriendelijk onthaald worden door Mr. Subbash de manager van het Mymensingh en Netrakona ziekenhuis. Ook hier wachten de thee en de koekjes op ons, Bengaalse gastvrijheid weet je wel ! Mr. Subbash geeft ons toelichting over de werking van het hospitaal. Daarna worden we rondgeleid door Mr. Raymon, fysiotherapeut van dienst.
Tbc-patiënten liggen in propere zalen op eenvoudige bedjes, mannen en vrouwen netjes gescheiden. Als de diagnose van tbc vroegtijdig wordt gesteld kunnen de meeste gevallen mits de juiste medicatie genezen worden, maar ook hier heeft men al te maken met mrb-patiënten: patiënten die resistent zijn tegen de voorhanden zijnde antibiotica. De mensen die weer op de been zijn worden ontslagen en nemen hun medicatie niet meer verder en zo bouwen ze een resistentie op tegen anitbiotica, worden terug ziek. Op die manier wordt het geneesproces heel wat moeilijker of zelfs onmogelijk.
Dergelijke patiënten die mdr(multi drug resistance) zijn worden in een aparte kamer verzorgd. Hier zien we een baby’tje van enkele weken oud dat reeds resistent is; de kansen op overleven zijn haast nihil. Om dergelijke gevallen te vermijden heeft de Damiaanactie nu ook een ‘dots’-programma opgesteld. De verplegers/verpleegsters rijden met scooters naar de ontslagen patiënten en laten hen de medicatie innemen, de inname wordt zo gecontroleerd en genoteerd. Op die manieris men er zeker van dat de medicatie correct en voldoende lang wordt ingenomen. Geen sinecure om dat allemaal op te volgen, maar het gebeurt en werkt !
We maken ook ‘het weken’ van de aangetaste voeten en handen mee. Alle mensen zitten naast elkaar op een bankje met hun voet of ander aangetast lichaamsdeel in een kommetje water, daarna worden alle ‘geweekte’ dode delen van de voet geschuurd met een ruwe steen.
Ze krijgen ook voorlichting via foto’s (want ¾ van de Bengalen kan noch lezen noch schrijven) hoe ze, eens terug in hun dorp, hun aangetaste voet of hand moeten verzorgen en beschermen. Blootsvoets lopen is dan eigenlijk uit den boze. Het is vooral heel belangrijk om de aangetaste delen die gevoelloos geworden zijn niet meer te kwetsen want anders ontstaan er terug infecties die het reeds getroffen lichaamsdeel verder kan aantasten.
De aanwezigheid van een jonge moeder ,die aan lepra lijdt, en haar kindje van bijna twee dat een hazenlip heeft treft me diep. Operaties van hazenlippen worden hier zelden verricht, bij ons gebeurt dit als vanzelfsprekend op heel jonge leeftijd en worden zo’n kinderen heel secuur opgevolgd naar eet- en spraakpatroon toe. Hier moeten ze nog dagelijks vechten tegen echte armoeziektes lepra en tbc…en hazenlippen worden dan maar zo gelaten. Schrijnend !
Na het confronterende bezoek aan het hospitaal vervolgen we de tocht naar het Jalchatra hospitaal.
Onze laatste rit en mijn rug is daar niet rouwig om. Ondanks mijn trainingsschema en de goede raadgevingen van onze wielerfanaten op het thuisfront wordt het toch lastig voor mijn rug. Fietsen in Belgenland en fietsen in Bangladesh zijn twee totaal verschillende zaken. Je kan stellen dat we in Bangladesh een goede voorbereiding kregen op een deelname aan Parijs-Roubaix. Je rijdt hier niet alleen over kinderkoppen maar ook door los zand, zand met steenbrokken, geoogste rijstvelden met gedroogde kleibrokken zo hard als steen, asfalt met putten en soms ook putten met asfalt…. Een mountainbike training zou de volgende keer niet misstaan. En zoveel schokken moeten opvangen was dan wat van het goede teveel . Maar echte Flandriens geven niet op en ik dus ook niet. We ploeteren voort tot in Jalchatra, de laatste kilometers door een ‘beschermd’ bos doen me warempel denken aan het bos van Wallers, gelukkig worden wij niet geplaagd door regenbuien. Geen rijstvelden dit keer maar echte jungle. Na een korte stop bij één van de plaatselijke theestalletjes zetten we onze laatste etappe verder door een adembenemend mooi decor. Bananenplantages wisselen af met ananasvelden, alles groeit hier zo weelderig en is zo groen, dit stukje van Bangladesh staat dan ook zelden onder water. De mensen hier hebben het dan hier toch iets beter dan de streek waar we enkele dagen terug vertoefden. Na een laatste spurtje rijden we door de ziekenhuispoort waar we alweer hartelijk ontvangen worden door de verantwoordelijke daar. Enkele waren zo door het dolle heen dat ze de eindmeet pal voorbij gereden waren.
De kamers worden vlug verdeeld dames links heren rechts. We krijgen een heel paviljoen ter onze beschikking : twee slaapkamers, douche en toilet incluis. Ik liet me vertellen dat hier vroeger de Belgische missiezusters logeerden. Tussen de beide paviljoenen stond een derde paviljoentje met een heuse eetzaal en zitkamer en aanpalend een nette moderne keuken. Hier wacht ons trouwens nog een verrassing !
Geen tijd om lang te treuzelen want wij worden nog verwacht bij de Mandi-people, een kleine Christenstam die diep verscholen in de jungle leeft.
De drivers rijden er ons naar toe, we worden met open armen ontvangen. Al hun stoelen en tafels hebben ze buiten opgesteld en we worden één voor één verwelkomd met een bosje bloemen. Kinderen, jongeren treden op en zingen voor ons traditionele liederen. Er wordt rijstwijn, of was het rijstbier, gebrouwd en gul ingeschonken. De smaak is moeilijk te omschrijven, ik durf te zeggen dat ik heel wat drankjes weet te pruimen maar het Mandibrouwseltje behoort nu niet direct tot mijn favorieten. Voor wat hoort wat moeten die Mandimensen hebben gedacht en ze vroegen ook aan ons om een liedje ten berde te brengen. Niemand stond echt te springen om die taak op zich te nemen, de West-Vlamingen met hun grote mond waren plots niet meer te horen en ja hoor Lutgard uit Antwerpen zette haar beste stembandje voor en bracht een liedje van onze aller Willem Vermandere. Hier in Bangladesh kregen we dus een Vlaamse primeur een Antwerpse dame die West-Vlaams zingt, we zijn flexibel en zo hoort het ! Lutgard vertolkte met bravoure ‘Bange blanke man’ en werd dan ook op een enthousiast applaus onthaald.
Het solo-optreden hadden we dan gehad maar het hield daarbij niet op, met zijn allen de arena in en we dansten ‘de mosselman uit Scheveningen’. Typisch Vlaams niet? Noch wij noch de Mandi-people hadden er moeite mee dat Scheveningen in Nederland ligt want heel het dorp met daartussen 15 Vlamingen dansten gretig in het rond. De rijstwijn vloeide rijkelijk want Vlamingen krijgen ze daar nu ook niet iedere dag over de vloer en dat was toch een goede reden om de hele avond verder te vieren. De rijstwijn was nog lang niet op maar als aperitiefje kon dit wel tellen en we bedankten de Mandipeople voor hun hartelijke ontvangst. Na een kort voettochtje werden we met de jeeps teruggereden naar het ziekenhuis. Iedereen was toch wel een beetje in de wind en tijdens de korte trip hadden we plots heel veel inspiratie …..Manik kreeg het hele Vlaamse repertoire te horen. Sorry Manik voor het lawaaioverlast ! Of was het dan toch mooi, want de jakhalzen bleven maar de baan oversteken , alsof ze kwamen luisteren of gingen ze er misschien van lopen ?
En nu kwam de verrassing! Lekkere groetensoep, gebakken kip en echte Belgische frietjes met mayonaise midden in de Bengaalse jungle ! 'Menneke' alias Joachim, had indertijd echte Belgische gerechten leren klaarmaken aan de Belgen die hier werkten. En of ze het goed onthouden hebben. De maaltijd was echt verrukkelijk . De jongeren aten als wolven, figuurlijk dan... alhoewel .
Dokter
Mihir at ook mee en zou ons de volgende dag opwachten om een rondleiding te
geven in wat het paradepaardje van de Damiaanactie in Bangladesh is.
Na het avondmaal bleven we nog wat napraten rond het haardvuur en bladerden we
door het gastenboek. We vonden zelfs de handtekening van onze vroegere koningin
Fabiola erin terug. Ook Prins Filip is er ooit geweest en liet er als cadeau
enkele zonnepanelen na. En in oktober was Markske van de Kampioenen hier op
bezoek, hij is een ver familielid van pater Damiaan. Wij
schreven ook nog wat in het gastenboek en zochten dan ons bedje op.
Morgen reizen we terug naar Dhaka met de trein. We nemen afscheid van onze Oxfordfiets en vallen moe maar tevreden met onze 400 kilometer in de kuiten in slaap! Ja ja ik heb de ‘ronde van Bangladesh’ uitgereden en ben er best wel fier op !
Vrijdag 07 januari 2005, uit het
dagboek van Lander…

Het is onze laatste dag vandaag,
onze shoppingday. In de voormiddag gaan we naar Dhamrai, een origineel Hindu
dorpje waar we uitgenodigd zijn bij een lokale beeldfabrikant.
We krijgen er deskundige uitleg
van X, de baas van het
familiebedrijfje. Na de vriendelijke ontvangst wordt ons de plaats getoond waar
het beeld uit was gesneden wordt. Ware kunstenaars zijn het, de mannen die met
een engelengeduld, detail voor detail een Hindoe -beeldje uitsnijden en
boetseren. Normaal gesproken doen ze er zo’n maand over om een middelgroot
beeld volledig af te werken..
Van dat beeld wordt dan een afdruk gemaakt die in een oven gezet wordt, de was
smelt weg en één of ander metaal komt in de plaats, meestal koper, brons of
zilver.
Prachtige beelden zijn het
resultaat. Van elk van die beelden bestaat maar één exemplaar.
De was smelt immers weg, en het omhulsel wordt kapot geslagen, uniek dus,
die handel! Zelf heb ik mij ook zo’n beeldje aangeschaft, het stelt één van
de re”incarnaties van de Hindoe-god Vishnu voor.
In de namiddag gaan we dan naar enkele shoppingcentra in Dhaka.
In de namiddag bezoeken we een artcrafts-winkel in Dhaka.
Alles wat er te koop ligt wordt gemaakt binnen lokale ngo’s. Die
gebruiken dan de opbrengst voor hun werking.
Ik koop er een landskaart en niets minder dan een boekje ‘Bengali for
foreigners’ ofwel: Bengaals voor buitenlanders. Later wil ik zeker nog terug
komen naar dit sympathieke land van duizend rivieren. En aangezien het altijd
handig is een om een woordje te kunnen uitwisselen met de lokale bevolking…
En dan komt voor mij ‘de schok van de dag’. Mannik, onze driver dropt ons
bij een grote winkel in Dhaka… een ware hel.
Behoorlijk veel westerse toeristen (lees: dikke Amerikanen) en vadsige
Bengalen van de lokale high society, die zwaar decadent leven, ik moet er van
balen. Ik heb er al die tijd nog geen last van gehad: maar hier overvalt mij de
confrontatie met de noord-zuidtegenstelling.
Na zoveel armoede te zien, valt het contrast met die overvloedige
consumptie me zwaar, ik gruwel nog altijd bij die gedachte…
’s Avonds zoeken wij voor ons
afscheidsetentje een Turks restaurantje op. Voor één keer geen kerrie met
rijst en kip, of chapatti’s en saringatas. We bedanken Willem Gees en zijn
vrouw Ingrid voor de FANTASTISCHE tijd die we daar beleefden in Bangladesh. Ook
onze drivers Mannik en Monty kunnen op een extra bakieejh rekenen: we gaven hen
elk 1500 takka, voor ons een peulschil, voor hen een extra maandloon.
’Bangla’ was superwild, de gedachte om er ooit terug te keren vervult me met
hoop en warmte.